Ge­loof brengt ons geen GS­M’s, me­vrouw de Za­fri­kaan­se wijs­neus!

Laatst had ik be­zoek van een paar men­sen uit het Zuid-Afri­kaan­se. Nu moet ik eer­lijk­heids­hal­ve toe­ge­ven dat ik vol met voor­oor­de­len over de­ze lie­den zit. Ik ben on­der­tus­sen een paar keer in dat land ge­weest, ik heb er een hoop over ge­zien en ge­le­zen en er zijn al heel wat be­zoe­kers uit die hoek bij me langs ge­weest. Op grond daar­van ma­tig ik mij aan een be­perkt oor­deel te kun­nen ge­ven over een be­paal­de soort Zuid-Afri­ka­nen.

Dat oor­deel is niet on­ver­deeld po­si­tief en er zijn ge­noeg uit­zon­de­rin­gen die ik hier vol­le­dig bui­ten be­schou­wing laat. Die uit­zon­de­rin­gen dus daar­ge­la­ten: ik vind veel van de Zuid-Afri­ka­nen die ik “ge­zien” heb on­der­maats wat be­treft hun pres­ta­ties. Het zijn on­ge­cul­ti­veer­de boe­ren, niet bijs­ter slim, cor­rupt en ego­ïs­tisch en ze le­ven in een col­lec­tie­ve sprook­jes­we­reld die ze voor­als­nog dom en volg­zaam weet te hou­den. Daar­bij – of wel­licht daar­door – glijdt het land in zeer rap tem­po af van de best pres­te­ren­de staat in de re­gio naar een 3e-we­reld-dump waar je nog niet dood ge­von­den wilt wor­den.

Laat ik ten over­vloe­de toch even ver­mel­den dat dit nog be­trek­ke­lijk di­plo­ma­tiek uit­ge­druk­te oor­deel – in re­la­tie tot wat ik echt over die gas­ten denk – vol­strekt per­soon­lijk en wel­licht sterk ge­kleurd is. Ik vind Zuid-Afri­ka dus wel mooi om te zien, met fraaie kleu­ren, mooie ver­ge­zich­ten en veel door stro­pers be­dreig­de die­ren, maar te­ge­lijk vind ik het ook een ver­schrik­ke­lijk kut-land, waar een stel­le­tje pri­mi­tie­ve, on­ge­let­ter­de kin­kels het voor het zeg­gen heeft (ex­cu­se me my French…). On­der ons ge­zegd en ge­zwe­gen: Zuid-Afri­ka is ten do­de op­ge­schre­ven en het ste­vent met gro­te vaart af op een he­le die­pe af­grond.

Het ver­baas­de me dus niet dat één van de Kaap­steed­se be­zoe­kers die bij mij aan ta­fel zat en die zo­juist mijn eten had ge­wei­gerd, na een kort ge­sprek de on­ster­fe­lij­ke woor­den liet val­len dat “we­ten­schap saai is“. Daar­mee plaatste zij zich­zelf acuut en per­ma­nent in mijn fi­guur­lij­ke gier­put voor niet se­ri­eus te ne­men ho­len­men­sen, die zon­der enig ri­si­co of par­don vol­strekt ge­ne­geerd kun­nen en moe­ten wor­den. Ie­mand die zich laat­dun­kend over we­ten­schap of we­ten­schap­pers uit­laat heeft bij mij voor al­tijd af­ge­daan en hoeft nooit meer te re­ke­nen op eni­ge good­will.

Het bleef niet bij de bo­ven­ge­noem­de, he­le dom­me op­mer­king. Er kwam er nog een­tje ach­ter­aan die be­stond uit haar me­ning over we­ten­schap­pers die “al­les wil­len ver­kla­ren en be­grij­pen” in plaats van dat ze de mys­te­ries van het le­ven in za­li­ge on­we­tend­heid we­ten te waar­de­ren. (Mijn ver­woor­ding bij ge­brek aan elo­quen­tie van de spreek­ster.) Ge­luk­kig was de spreek­ster al zo laag ge­daald in mijn ach­ting, dat het niet meer uit­maak­te wat ze zei. Ik stoor­de mij dus nog maar be­perkt aan het ge­brek aan in­tel­li­gen­tie dat uit de uit­spraak bleek. Ik heb het vast va­ker op­ge­schre­ven, maar het zijn niet de we­ten­schap­pers die den­ken dat ze al­les (moe­ten of kun­nen) we­ten. Het zijn juist de re­li­gi­eu­zen die zo ar­ro­gant zijn om te den­ken dat ze al­les kun­nen ver­kla­ren met hun fan­tas­ti­sche fa­bel­we­zens en hun kin­der­ach­ti­ge spook­jes. We kun­nen wat dat be­treft ge­rust zijn. El­ke we­ten­schap­per is ten eer­ste door­dron­gen van zijn ei­gen gren­zen én ten twee­de van die van de we­ten­schap – en hij/zij res­pec­teert die gren­zen. En ik ken geen we­ten­schap­pers die zo au­tis­tisch zijn dat ze niet we­ten wat mooi en ge­wel­dig is; of le­lijk en ver­schrik­ke­lijk.

Men­sen die ge­lo­ven en daar­om de we­ten­schap klei­ne­ren heb­ben geen res­pect voor de wer­ke­lijk­heid in het al­ge­meen of de we­reld in het bij­zon­der. Ze heb­ben dat ook niet voor de schoon­heid, de com­plexi­teit en de groots­heid van het uni­ver­sum. Men­sen die ge­lo­ven pro­be­ren hun zie­lig klei­ne idee­tjes aan an­de­ren op te leg­gen door niet-ge­lo­vi­gen er­van te be­schul­di­gen geen oog voor es­the­tiek te heb­ben, ter­wijl al­les wat mooi is aan on­ze we­reld ei­gen­lijk vol­le­dig aan ze voor­bij gaat. Ge­lo­vi­gen ge­ven de voor­keur aan fan­ta­sie, aan slap­pe ver­haal­tjes en suf­fe sprook­jes om een beeld van de “wer­ke­lijk­heid” te krij­gen dat ze met hun be­perkt ge­train­de her­sen­tjes kun­nen be­grij­pen. En daar­mee den­ken ze dan ook nog de wijs­heid in pacht te heb­ben. Hoe waan­zin­nig mooi en bij­zon­der het uni­ver­sum met al haar com­plexi­teit, haar groots­heid en haar gro­ten­deels voor eeu­wig aan het men­se­lij­ke be­grip ont­trok­ken wer­king in het echt is, ont­gaat ze waar­schijn­lijk ge­heel.

Zo kon het dus zijn dat een Zuid-Afri­kaan­se, ge­lo­vi­ge en we­ten­schap-af­kra­ken­de suk­kel me aan mijn ei­gen eet­ta­fel kwam ver­tel­len dat “sci­en­ce bo­ring” is, ter­wijl ze in haar ene hand een mo­bie­le te­le­foon en in de an­de­re een Go-Pro ca­me­ra had. Ik heb nog ge­twij­feld. Zal ik haar eens uit­leg­gen hoe af­han­ke­lijk haar da­ge­lijk­se le­ven is van we­ten­schap en daar­op ge­ba­seer­de tech­no­lo­gie? Haar god­je of haar elf­jes zor­gen niet voor een in­ter­net, het vlieg­tuig waar­mee ze van Afri­ka naar Eu­ro­pa vloog of om het even wat ze ook maar om zich heen kan zien. Re­li­gie maakt mooie praat­jes maar het vult geen gaat­jes. Het zorgt niet voor voed­sel of wel­stand en het redt geen le­vens. Re­li­gie is een ver­za­mel­naam voor ver­haal­tjes, ver­teld voor de on­vol­was­sen geest die niet echt wil na­den­ken en die bang is voor een we­reld die het niet kan of wil be­grij­pen. Er is een ij­zer­ster­ke re­gel: hoe zwak­ker het in­zicht in – en de ken­nis over – de we­reld, hoe ster­ker het ge­loof.

Het liefst zou ik de da­me die mij in mijn ei­gen huis be­le­dig­de voor al­tijd de toe­gang wil­len ont­zeg­gen. Het zou ech­ter kun­nen dat dit van­we­ge fa­mi­li­ai­re om­stan­dig­he­den niet mo­ge­lijk is. Mij rest slechts de op­tie om de­ze on­ge­wens­te gast bij de vol­gen­de ge­le­gen­heid toch te to­le­re­ren maar haar te be­han­de­len als een kod­di­ge kleu­ter die ge­woon niet be­ter weet. Het is jam­mer maar he­laas, maar ie­mand die zo ver­schrik­ke­lijk stom is en mij ook nog eens in mijn ei­gen huis komt ver­tel­len dat ik als we­ten­schap­per “bo­ring” zou zijn, kan ik nooit meer voor vol aan­zien.