Ver­bijs­te­rend Chi­na (2011) – Jan van der Put­ten

Ik had al aar­dig wat ach­ter mijn kie­zen over Chi­na, en daar heb ik op de­ze plaats ook al eens iets over ge­zegd, maar voor de lief­heb­ber – en dat ben ik on­der­tus­sen wel – is er iets op de markt dat bui­ten­ge­woon zeer de moei­te waard is.

Het boek “Ver­bijs­te­rend Chi­na, we­reld­macht van een an­de­re soort” (2011) door Jan van der Put­ten is een boek dat je ge­le­zen moet heb­ben als je wilt snap­pen hoe dat land in el­kaar zit. En ik zeg dat nog steeds, na het le­zen van die an­de­re ver­hel­de­ren­de din­gen, waar­on­der een boek van Ri­chard Mc­G­re­gor over De Par­tij zelf bij­voor­beeld.

Ik dacht dus dat ik on­ge­veer wel door­had hoe de we­reld in Chi­na werkt. Maar dat bleek niet he­le­maal waar te zijn. Ik had mij voor­al ge­con­cen­treerd op het cen­trum van de macht om zo een beeld van het Chi­ne­se mo­del te krij­gen. Dat werkt vaak goed voor Wes­ter­se lan­den, zo­wel nu als in de re­cen­te ge­schie­de­nis van de af­ge­lo­pen 150 jaar. Maar voor Chi­na dus in ie­der ge­val niet. (Voor de Sov­jet Unie trou­wens ook niet…) Het ver­eis­te de in­zich­ten, er­va­ring, vak­man­schap en hu­mor van een schrij­ver-jour­na­list als Van Der Put­ten om aan die il­lu­sie van mij een ein­de te ma­ken.

Van Der Put­ten be­schrijft Chi­na ui­ter­aard in een veel bre­der per­spec­tief dan al­leen het machts­cen­trum. Wat hij doet is een com­pleet beeld schet­sen dat met een beet­je goe­de wil de laat­ste 5 mil­len­nia van het Chi­ne­se rijk – het Rijk van het Mid­den – be­strijkt, waar­bij het zwaar­te­punt ligt rond de tijd die voor ons nu le­ven­de ster­ve­lin­gen re­le­vant is: de pe­ri­o­de van­af de val van de laat­ste kei­zer, via Mao Ze Dong naar het hui­di­ge Chi­na met haar Cen­traal Ge­lei­de So­ci­a­lis­tisch-Ka­pi­ta­lis­ti­sche De­mo­cra­ti­sche Dic­ta­tuur.

Het laat­ste deel van de laat­ste zin hier­bo­ven is wat ge­fa­bri­ceerd, maar ik wil daar­mee een punt ma­ken. De po­li­tie­ke en eco­no­mi­sche prag­ma­tiek van het hui­di­ge Chi­na, dat zon­der blik­ken of blo­zen al­le ide­o­lo­gi­sche claims die het kan ge­brui­ken schaam­te­loos bij el­kaar mixt, is een ei­gen­aar­di­ge – en in­der­daad ver­bijs­te­ren­de – men­ge­ling van po­li­tie­ke en eco­no­mi­sche stro­min­gen, die naar ik het be­grijp voor­al twee doe­len dient. Het eer­ste is de pre­ser­ve­ring van de Staat en de sta­bi­li­teit van het Sys­teem. Het twee­de is eco­no­mi­sche voor­uit­gang en groei. Het is iets om je even over ach­ter je oren te krab­ben. Chi­na is het land met de groot­ste be­vol­king ter we­reld. Op dit mo­ment zijn er 1,3 mil­jard van die men­sen. Het doel van het Chi­ne­se po­lit­bu­reau is om al dit volk bo­ven hun hui­di­ge wel­stands­ni­veau te til­len en dus een gro­te­re voet­stap op de we­reld te ge­ven. Dat gaat een zwa­re wis­sel op ons eco­lo­gi­sche wel­zijn trek­ken.

En on­der­tus­sen zal het een voor ons vreem­de mo­loch blij­ven, die blijft be­staan on­danks al on­ze hoop en voor­spel­lin­gen over de val van dit com­mu­nis­ti­sche rijk. Dat gaat niet ge­beu­ren, als je Van Der Put­ten moet ge­lo­ven. En ik zie eer­lijk ge­zegd geen re­den om dat niet te doen.

Er is nog een in­te­res­san­te draai in het boek te vin­den, die ons ove­ri­gens al de­cen­nia lang aan­kijkt in de we­reld maar die mij als Chi­na-maagd nog niet was op­ge­val­len. Chi­na heeft een tijd­perk van gro­te ver­ne­de­rin­gen ach­ter zich, waar­in ver­schei­de­ne we­reld­lij­ke machts­spe­lers – zo­als de Eu­ro­pe­se ko­lo­ni­sa­tors, maar ook Ja­pan –  met ver­een­de krach­ten heb­ben ge­pro­beerd om Chi­na hun wil op te leg­gen. Dit was zelfs in­clu­sief een ge­dwon­gen win­kel­ne­ring als het om drugs ging. De opi­um­oor­lo­gen bij­voor­beeld wa­ren daar­van één ge­volg, om­dat Chi­na zich te­recht he­vig ver­zet­te te­gen de in­stroom van het on­ge­wens­te ver­do­ven­de mid­del Opi­um. En­ge­land moet in Chi­na veel geld ver­diend heb­ben met dit ge­nots­mid­del, dat ze met veel en grof ge­weld door de Chi­ne­se strot heeft ge­duwd.

Het ge­volg van de­ze aper­te on­der­druk­king door bui­ten­land­se mo­gend­he­den heeft het Chi­na van nu een at­ti­tu­de ge­ge­ven die zich sterk te­gen el­ke vorm van bui­ten­land­se in­men­ging of wes­ter­se pe­dan­te­rie keert. En ik ben ge­neigd ze daar­in geen on­ge­lijk te ge­ven. Daar­naast ziet de door­snee Chi­nees zich­zelf ook als ver ver­he­ven bo­ven de niet-Chi­ne­se bar­ba­ren, die zich voor­al niet moe­ten aan­me­ten dat ze ook maar iets te mak­ken heb­ben over het Rijk van het Mid­den. Voor de Chi­nees is Chi­na de we­reld en de rest van de pla­neet is niet an­ders re­le­vant dan als win­ge­west voor de groei­en­de eco­no­mie. En wij in het wes­ten moe­ten on­ze gro­te mond hou­den.

Chi­na is groot en on­ge­naak­baar, dat is de in­druk die het sterk­ste blijft han­gen na het le­zen van dit zeer aan­ge­na­me boek. En ik ben er niet ge­rust op dat Chi­na zich ooit zal schik­ken naar de wen­sen van ons wes­ter­se de­mo­cra­ten. Het zou me nu niet meer ver­ba­zen als wij ons over een jaar of 20 aan China’s nuk­ken heb­ben aan­ge­past en niet an­ders­om. Het komt neer op een he­le sim­pe­le zaak: Chi­na laat zich niet meer ver­tel­len wat ze moet doen – nu niet en over en­ke­le ja­ren al he­le­maal niet.

Als je ook wilt we­ten waar­om je kin­de­ren toch echt Chi­nees moe­ten gaan le­ren, dan zou ik dit boek sterk wil­len aan­ra­den. Het is in­for­ma­tief, goed on­der­legd en ook ge­woon erg leuk om te le­zen. Goed ge­daan, Van Der Put­ten…