HET COMMUNISTISCH MANIFEST

Das Ka­pi­tal

(1848) Karl Marx & Frie­d­rich En­gels

In­lei­ding DU

Een spook waart door Eu­ro­pa – het spook van het com­mu­nis­me. Al­le mach­ten van het ou­de Eu­ro­pa heb­ben zich tot een hei­li­ge drijf­jacht te­gen dit spook ver­bon­den, de paus en de tsaar, Met­ter­nich en Gui­zot, Fran­se ra­di­ca­len en Duit­se po­li­tie­man­nen. Waar is de op­po­si­tie­par­tij, die niet door haar re­ge­ren­de te­gen­stan­ders als com­mu­nis­tisch is ge­dood­verfd, waar de op­po­si­tie­par­tij die niet de meer voor­uit­stre­ven­de man­nen van de op­po­si­tie, zo­wel als haar re­ac­ti­o­nai­re te­gen­stan­ders het brand­mer­ken­de ver­wijt van het com­mu­nis­me voor de voe­ten heeft te­rug­ge­wor­pen? Uit dit feit vloei­en twee din­gen voort. Het com­mu­nis­me wordt reeds door al­le Eu­ro­pe­se mach­ten als een macht er­kend.

Het is hoog tijd dat de com­mu­nis­ten hun op­vat­tin­gen, hun oog­mer­ken, hun ten­den­sen open­lijk voor de ge­he­le we­reld ont­vou­wen en te­gen­over het sprook­je van het spook van het com­mu­nis­me een ma­ni­fest van de par­tij zelf plaat­sen. Voor dit doel zijn com­mu­nis­ten van de meest ver­schil­len­de na­ti­o­na­li­tei­ten in Lon­den bij­een­ge­ko­men en heb­ben zij het vol­gen­de ma­ni­fest ont­wor­pen, dat in de En­gel­se, Fran­se, Duit­se, Ita­li­aan­se, Vlaam­se en Deen­se taal wordt ge­pu­bli­ceerd.

HOOFDSTUK I: Bour­geois en pro­le­ta­ri­ërs

De ge­schie­de­nis van ie­de­re maat­schap­pij tot nu toe is de ge­schie­de­nis van de klas­sen­strijd. Vrije en slaaf, pa­tri­ci­ër en ple­be­jer, ba­ron en lijf­ei­ge­ne, gil­de­mees­ter en ge­zel, kort­om on­der­druk­kers en on­der­druk­ten ston­den in voort­du­ren­de te­gen­stel­ling tot el­kaar, voer­den een on­af­ge­bro­ken, nu eens be­dek­te dan weer open strijd, een strijd die ie­der keer ein­dig­de met een re­vo­lu­ti­o­nai­re om­vor­ming van de ge­he­le maat­schap­pij of met de ge­meen­schap­pe­lij­ke on­der­gang van de strij­den­de klas­sen. In de vroe­ge­re tijd­per­ken van de ge­schie­de­nis vin­den wij bij­na over­al een vol­le­di­ge ver­de­ling van de maat­schap­pij in ver­schil­len­de stan­den, een veel­vou­di­ge trap van maat­schap­pe­lij­ke ran­gen. In het ou­de Ro­me heb­ben wij pa­tri­ci­ërs, rid­ders, ple­be­jers, sla­ven; in de mid­del­eeu­wen leen­he­ren, va­zal­len, gil­de­mees­ters, ge­zel­len, lijf­ei­ge­nen en bo­ven­dien in bij­na ie­der van de­ze klas­sen nog bij­zon­de­re rang­schik­kin­gen. De uit de on­der­gang van de fe­o­da­le maat­schap­pij voort­ge­ko­men mo­der­ne bur­ger­lij­ke maat­schap­pij heeft de klas­sen­te­gen­stel­lin­gen niet op­ge­he­ven. Zij heeft slechts nieu­we klas­sen, nieu­we voor­waar­den van on­der­druk­king, nieu­we vor­men van strijd in de plaats van de ou­de ge­steld. Ons tijd­vak, het tijd­vak van de bour­geoi­sie, ken­merkt zich even­wel hier­door dat het de klas­sen­te­gen­stel­lin­gen ver­een­vou­digd heeft. De ge­he­le maat­schap­pij splitst zich meer en meer in twee gro­te vij­an­de­lij­ke kam­pen, in twee gro­te lijn­recht te­gen­over el­kaar staan­de klas­sen: bour­geoi­sie en pro­le­ta­ri­aat. Uit de lijf­ei­ge­nen van de mid­del­eeu­wen zijn de poor­ters van de eer­ste ste­den voort­ge­ko­men; uit de­ze poor­ter­schap heb­ben zich de eer­ste ele­men­ten van de bour­geoi­sie ont­wik­keld.

De ont­dek­king van Ame­ri­ka, de om­zei­ling van Afri­ka, schie­pen voor de op­ko­men­de bour­geoi­sie een nieuw ter­rein. De Oost-In­di­sche en Chi­ne­se markt, de ko­lo­ni­sa­tie van Ame­ri­ka, de ruil­han­del met de ko­lo­ni­ën, de ver­meer­de­ring van de ruil­mid­de­len en van de goe­de­ren in het al­ge­meen, ga­ven aan de han­del, aan de scheep­vaart, aan de in­du­strie een on­ge­ken­de vlucht en daar­mee aan het re­vo­lu­ti­o­nai­re ele­ment in de ver­val­len­de fe­o­da­le maat­schap­pij een snel­le ont­wik­ke­ling. Het tot hier toe heer­sen­de fe­o­da­le of gil­de­be­drijf van de in­du­strie was niet toe­rei­kend meer voor de met nieu­we mark­ten aan­groei­en­de be­hoef­te. De ma­nu­fac­tuur trad in zijn plaats. De gil­de­mees­ters wer­den ver­dron­gen door de in­du­stri­ë­le mid­den­stand; de ver­de­ling van de ar­beid tus­sen de ver­schil­len­de cor­po­ra­ties ver­dween voor de ver­de­ling van de ar­beid in de af­zon­der­lij­ke werk­plaats zelf. Maar steeds groei­den de mark­ten aan, steeds steeg de be­hoef­te. Ook de ma­nu­fac­tuur was niet meer toe­rei­kend.

Daar re­vo­lu­ti­o­neer­den de stoom en de ma­chi­ne­rie­ën de in­du­stri­ë­le pro­duc­tie. In de plaats van de ma­nu­fac­tuur kwam de mo­der­ne groot­in­du­strie, in de plaats van de in­du­stri­ë­le mid­den­stand kwa­men de in­du­stri­ë­le mil­jo­nairs, de chefs van ge­he­le in­du­stri­ë­le le­gers, de mo­der­ne bour­geois. De groot­in­du­strie heeft de we­reld­markt ge­sticht, die de ont­dek­king van Ame­ri­ka had voor­be­reid. De we­reld­markt heeft aan de han­del, de scheep­vaart, aan de ver­keers­mid­de­len te land een on­me­te­lij­ke ont­wik­ke­ling ge­ge­ven. De­ze heeft op haar beurt op de uit­brei­ding van de in­du­strie in­ge­werkt, en in de­zelf­de ma­te, waar­in in­du­strie, han­del, scheep­vaart, spoor­we­gen zich uit­breid­den, in de­zelf­de ma­te ont­wik­kel­de zich de bour­geoi­sie, ver­meer­der­de zij haar ka­pi­ta­len, drong zij al de uit de mid­del­eeu­wen over­ge­le­ver­de klas­sen op de ach­ter­grond. We zien dus hoe de mo­der­ne bour­geoi­sie zelf het pro­duct is van een lan­ge ont­wik­ke­lings­gang, van een reeks van ver­an­de­rin­gen in de pro­duc­tie­wij­ze en in de wij­ze van ver­keer.

Ie­der van de­ze trap­pen van ont­wik­ke­ling van de bour­geoi­sie werd be­ge­leid door een daar­mee over­een­ko­men­de po­li­tie­ke stap voor­waarts. On­der­druk­te stand on­der de heer­schap­pij van de fe­o­da­le he­ren, ge­wa­pend en zich­zelf be­stu­rend ver­bond in de Com­mu­ne, hier on­af­han­ke­lij­ke re­pu­bli­kein­se stad, daar be­las­ting­plich­ti­ge der­de stand van de mo­nar­chie, dan in de tijd van de ma­nu­fac­tuur te­gen­wicht te­gen de adel in de con­sti­tu­ti­o­ne­le of in de ab­so­lu­te mo­nar­chie, voor­naams­te fun­da­ment van de mo­nar­chie­ën in het al­ge­meen, be­vocht zij voor zich ein­de­lijk, sinds de ves­ti­ging van de groot­in­du­strie en van de we­reld­markt, in de mo­der­ne staat met volks­ver­te­gen­woor­di­ging de po­li­tie­ke al­leen­heer­schap­pij. De mo­der­ne staats­macht is slechts een co­mi­té dat de ge­meen­schap­pe­lij­ke za­ken van de ge­he­le bur­ger­klas­se be­heert.

De bour­geoi­sie heeft in de ge­schie­de­nis een hoogst re­vo­lu­ti­o­nai­re rol ge­speeld. De bour­geoi­sie heeft, waar zij tot de heer­schap­pij is ge­ko­men, al­le fe­o­da­le, aarts­va­der­lij­ke, idyl­li­sche ver­hou­din­gen ver­nield. Zij heeft de bont­ge­scha­keer­de fe­o­da­le ban­den, die de mens aan de van na­tu­re bo­ven hem ge­plaatste ver­bon­den, on­barm­har­tig ver­scheurd en geen an­de­re band tus­sen mens en mens over­ge­la­ten dan het naak­te ei­gen­be­lang, dan de ge­voel­lo­ze ‘con­tan­te be­ta­ling’. Zij heeft de hei­li­ge sid­de­ring van de vro­me dwe­pe­rij, van de rid­der­lij­ke geest­drift, van de klein­bur­ger­lij­ke wee­moed in het ijs­kou­de wa­ter van ego­ïs­ti­sche be­re­ke­ning ver­dron­ken. Zij heeft de per­soon­lij­ke waar­dig­heid in de ruil­waar­de op­ge­lost en in de plaats van de tal­lo­ze ver­leen­de en ver­wor­ven vrij­he­den als eni­ge vrij­heid de ge­we­ten­lo­ze han­dels­vrij­heid ge­steld. Zij heeft, met één woord, in de plaats van de met gods­dien­sti­ge en staat­kun­di­ge zins­be­goo­che­ling om­hul­de uit­bui­ting de open­lij­ke, schaam­te­lo­ze, di­rec­te, dor­re uit­bui­ting ge­steld.

De bour­geoi­sie heeft al­le tot nu toe eer­waar­di­ge en met vroom ont­zag be­schouw­de amb­ten van hun hei­li­ge schijn ont­daan. Zij heeft de ge­nees­heer, de ju­rist, de pries­ter, de dich­ter, de man van de we­ten­schap in haar be­taal­de loon­ar­bei­ders ver­an­derd. De bour­geoi­sie heeft van de fa­mi­lie­ver­hou­ding haar roe­rend sen­ti­men­te­le slui­er af­ge­rukt en haar tot een zui­ve­re geld­ver­hou­ding te­rug­ge­bracht. De bour­geoi­sie heeft ont­huld hoe de bru­ta­le kracht­ui­ting, die de re­ac­tie zo­zeer in de mid­del­eeu­wen be­won­dert, haar pas­sen­de aan­vul­ling vond in de traag­ste dag­die­ve­rij. Ze heeft als eer­ste be­we­zen wat de werk­kracht van de men­sen tot stand bren­gen kan. Zij heeft nog heel an­de­re won­der­wer­ken vol­tooid dan Egyp­ti­sche pi­ra­mi­des, Ro­mein­se wa­ter­lei­din­gen en Go­ti­sche ka­the­dra­len, zij heeft nog heel an­de­re toch­ten vol­bracht dan volks­ver­hui­zin­gen en kruis­toch­ten.

De bour­geoi­sie kan niet be­staan zon­der de pro­duc­tie­mid­de­len, dus de pro­duc­tie­ver­hou­din­gen, dus de ge­za­men­lij­ke maat­schap­pe­lij­ke ver­hou­din­gen voort­du­rend te re­vo­lu­ti­o­ne­ren. On­ver­an­der­de in­stand­hou­ding van de ou­de pro­duc­tie­wij­ze was daar­en­te­gen de eer­ste be­staans­voor­waar­de van al­le vroe­ge­re in­du­stri­ë­le klas­sen. De voort­du­ren­de om­wen­te­ling van de pro­duc­tie, de on­af­ge­bro­ken schok aan al­le maat­schap­pe­lij­ke toe­stan­den, de eeu­wi­ge on­ze­ker­heid en be­we­ging on­der­scheidt de bour­geois­pe­ri­o­de van al­le an­de­re. Al­le vas­te, in­ge­roes­te ver­hou­din­gen met hun ge­volg van eer­waar­di­ge voor­stel­lin­gen en ziens­wij­zen wor­den op­ge­lost, al­le nieuw­ge­vorm­de ver­ou­de­ren, voor­dat zij zich kun­nen ver­ste­nen. Al het fe­o­da­le en al het vast­staan­de ver­dampt, al het hei­li­ge wordt ont­wijd, en de men­sen zijn ein­de­lijk ge­dwon­gen hun plaats in het le­ven, hun we­der­zijd­se be­trek­kin­gen met nuch­te­re ogen te aan­zien. De be­hoef­te aan een steeds uit­ge­brei­der af­zet van haar pro­duc­ten jaagt de bour­geoi­sie over de he­le aard­bol. Over­al moet zij zich in­nes­te­len, over­al haar huis bou­wen, over­al ver­bin­te­nis­sen aan­kno­pen.

De bour­geoi­sie heeft door haar ex­ploi­ta­tie van de we­reld­markt de pro­duc­tie en con­sump­tie van al­le lan­den kos­mo­po­li­tisch ge­maakt. Zij heeft tot groot ver­driet van de re­ac­ti­o­nai­ren aan de in­du­strie de na­ti­o­na­le bo­dem on­der de voe­ten weg­ge­trok­ken. De eeu­wen­ou­de na­ti­o­na­le in­du­strie­ën zijn ver­nie­tigd en wor­den nog da­ge­lijks ver­nie­tigd. Zij wor­den ver­dron­gen door nieu­we in­du­strie­ën, waar­van de in­voe­ring tot een le­vens­kwes­tie voor al­le be­schaaf­de vol­ke­ren wordt, door in­du­strie­ën, die niet meer in­heem­se grond­stof­fen, maar grond­stof­fen uit de verste stre­ken van de aar­de ver­wer­ken en waar­van de fa­bri­ka­ten niet al­leen in het land zelf, maar in al­le we­reld­de­len te­ge­lijk wor­den ver­bruikt. In de plaats van de ou­de, door pro­duc­ten van het ei­gen land be­vre­dig­de be­hoef­ten ko­men nieu­we, die de pro­duc­ten van de verste lan­den tot hun be­vre­di­ging ver­ei­sen. In de plaats van de ou­de lo­ka­le en na­ti­o­na­le zelf­ge­noeg­zaam­heid en af­ge­slo­ten­heid komt er een veel­zij­dig ver­keer, een veel­zij­di­ge af­han­ke­lijk­heid van de vol­ke­ren on­der­ling. De gees­te­lij­ke voort­breng­se­len van de af­zon­der­lij­ke na­ties wor­den ge­meen­goed. De na­ti­o­na­le een­zij­dig­heid en be­perkt­heid wordt meer en meer on­mo­ge­lijk, en uit de ve­le na­ti­o­na­le en lo­ka­le li­te­ra­tu­ren vormt zich een we­reld­li­te­ra­tuur. De bour­geoi­sie rukt door de snel­le ver­be­te­ring van al­le pro­duc­tie­mid­de­len, door het on­no­dig ge­mak­ke­lij­ker ver­keer al­le, ook de meest bar­baar­se vol­ken in de kring van de be­scha­ving. De goed­ko­pe prij­zen van haar wa­ren zijn de zwa­re ar­til­le­rie, waar­mee zij al­le Chi­ne­se mu­ren te­gen de grond schiet, waar­mee zij de hard­nek­kig­ste vreem­de­lin­gen­haat van de bar­ba­ren tot over­ga­ve dwingt. Zij dwingt al­le na­ties zich de pro­duc­tie­wij­ze van de bour­geoi­sie ei­gen te ma­ken, wan­neer zij niet te gron­de wil­len gaan; zij dwingt hen de zo­ge­naam­de be­scha­ving bij zich in te voe­ren, d.w.z. bour­geois te wor­den. Met één woord, zij schept zich een we­reld naar haar ei­gen beeld.

De bour­geoi­sie heeft het land aan de heer­schap­pij van de stad on­der­wor­pen. Zij heeft enor­me ste­den ge­scha­pen, zij heeft het aan­tal van de ste­de­lij­ke te­gen­over de lan­de­lij­ke be­vol­king in ho­ge graad ver­meer­derd en al­dus een be­lang­rijk deel van de be­vol­king aan de af­stom­ping van het land­le­ven ont­rukt. Net zo­als het land van de stad heeft zij de bar­baar­se en half­bar­baar­se lan­den van de be­schaaf­de, de boe­ren­vol­ken van de bour­geois­vol­ken, het Oos­ten van het Wes­ten af­han­ke­lijk ge­maakt. De bour­geoi­sie heft meer en meer de ver­snip­pe­ring van de pro­duc­tie­mid­de­len, van het be­zit en van de be­vol­king op. Zij heeft de be­vol­king op plaat­sen op­een­ge­hoopt, de pro­duc­tie­mid­de­len ge­cen­tra­li­seerd en het ei­gen­dom in wei­ni­ge han­den ge­con­cen­treerd. Het nood­za­ke­lijk ge­volg hier­van was de staat­kun­di­ge cen­tra­li­sa­tie. On­af­han­ke­lij­ke, slechts ge­fe­de­reer­de pro­vin­cies met ver­schil­len­de be­lan­gen, wet­ten, re­ge­rin­gen en tol­len wer­den sa­men­ge­dron­gen in één na­tie, één re­ge­ring, één wet, één na­ti­o­naal klas­sen­be­lang, één dou­a­ne­grens. De bour­geoi­sie heeft in haar nau­we­lijks hon­derd­ja­ri­ge klas­sen­heer­schap­pij mas­sa­ler en ko­los­sa­ler pro­duc­tie­krach­ten ge­scha­pen dan al­le ver­dwe­nen ge­slach­ten sa­men. On­der­wer­ping van de na­tuur­krach­ten, ma­chi­ne­rie, aan­wen­ding van de schei­kun­de op nij­ver­heid en land­bouw, stoom­vaart, spoor­we­gen, elek­tri­sche te­le­gra­fie, ont­gin­ning van ge­he­le we­reld­de­len, het be­vaar­baar ma­ken van de ri­vie­ren, ge­he­le uit de grond ge­stamp­te be­vol­kin­gen — wel­ke vroe­ge­re eeuw ver­moed­de dat zul­ke pro­duc­tie­krach­ten in de schoot van de maat­schap­pe­lij­ke ar­beid slui­mer­den?

We heb­ben dus ge­zien: De pro­duc­tie- en ver­keers­mid­de­len, op wel­ker grond­slag de bour­geoi­sie zich ont­wik­kel­de, wer­den in de fe­o­da­le maat­schap­pij ge­scha­pen. Op een ze­ke­re trap van de ont­wik­ke­ling van de­ze pro­duc­tie- en ver­keers­mid­de­len stem­den de ver­hou­din­gen, waar­in de fe­o­da­le maat­schap­pij pro­du­ceer­de en ruil­de, de fe­o­da­le or­ga­ni­sa­tie van land­bouw en ma­nu­fac­tuur, met één woord de fe­o­da­le ei­gen­doms­ver­hou­din­gen, niet meer over­een met de reeds ont­wik­kel­de pro­duc­tie­krach­ten. Zij hiel­den de pro­duc­tie te­gen, in plaats van ze te be­vor­de­ren. Zij ver­an­der­den in even zo ve­le boei­en. Zij moesten ver­scheurd wor­den, zij wer­den ver­scheurd. In hun plaats trad de vrije con­cur­ren­tie met de haar pas­sen­de maat­schap­pe­lij­ke en staat­kun­di­ge in­rich­ting, met de eco­no­mi­sche en po­li­tie­ke heer­schap­pij van de bur­ger­lij­ke klas­se.

On­der on­ze ogen vindt een ver­ge­lijk­ba­re ont­wik­ke­ling plaats. De bur­ger­lij­ke pro­duc­tie- en ver­keers­ver­hou­din­gen, de bur­ger­lij­ke ei­gen­doms­ver­hou­din­gen, de mo­der­ne bur­ger­lij­ke maat­schap­pij, die zul­ke ge­wel­di­ge pro­duc­tie- en ver­keers­mid­de­len te voor­schijn ge­to­verd heeft, ge­lijkt op de hek­sen­mees­ter die de on­der­aard­se mach­ten niet meer be­heer­sen kan die hij zelf op­riep. Sinds tien­tal­len ja­ren is de ge­schie­de­nis van nij­ver­heid en han­del slechts de ge­schie­de­nis van de op­stand van de mo­der­ne pro­duc­tie­krach­ten te­gen de mo­der­ne pro­duc­tie­ver­hou­din­gen, te­gen de ei­gen­doms­ver­hou­din­gen, die de le­vens­voor­waar­den zijn van de bour­ge­o­sie en van haar heer­schap­pij. Het is vol­doen­de de han­dels­cri­sis­sen te noe­men, die met hun pe­ri­o­die­ke te­rug­keer tel­kens drei­gen­der het be­staan van de ge­he­le bur­ger­lij­ke maat­schap­pij in ge­vaar bren­gen. In de han­dels­cri­sis­sen wordt een groot ge­deel­te niet al­leen van de voort­ge­brach­te pro­duc­ten, maar van de reeds ge­scha­pen pro­duc­tie­krach­ten ge­re­geld ver­nie­tigd. In de cri­sis­sen breekt een maat­schap­pe­lij­ke epi­de­mie uit, die voor al­le vroe­ge­re pe­ri­o­des iets on­zin­nigs zou heb­ben ge­le­ken — de epi­de­mie van de over­pro­duc­tie. De maat­schap­pij vindt zich plot­se­ling te­rug­ge­zet in een toe­stand van ogen­blik­ke­lij­ke bar­baars­heid; een hon­gers­nood, een al­ge­me­ne ver­del­gings­oor­log schij­nen haar al­le le­vens­mid­de­len te heb­ben af­ge­sne­den: de in­du­strie, de han­del schij­nen ver­nie­tigd, en waar­om? Om­dat zij te veel be­scha­ving, te veel le­vens­mid­de­len, te veel in­du­strie, te veel han­del be­zit. De pro­duc­tie­krach­ten, die haar ter be­schik­king staan, die­nen niet meer tot be­vor­de­ring van de bur­ger­lij­ke ei­gen­doms­ver­hou­din­gen; in­te­gen­deel, zij zijn te ge­wel­dig ge­wor­den voor de­ze ver­hou­din­gen, zij wor­den be­lem­merd en zo­dra zij de­ze be­lem­me­ring over­win­nen, bren­gen zij de ge­he­le bur­ger­lij­ke maat­schap­pij in wan­or­de, bren­gen zij het be­staan van het bur­ger­lijk ei­gen­dom in ge­vaar. De bur­ger­lij­ke ver­hou­din­gen zijn te eng ge­wor­den, om de door hen voort­ge­brach­te rijk­dom te om­vat­ten. Waar­door over­wint de bour­geoi­sie de cri­sis­sen? Aan de ene kant door de ge­dwon­gen ver­nie­ti­ging van een mas­sa pro­duc­tie­krach­ten; aan de an­de­re kant door de ver­o­ve­ring van nieu­we mark­ten, en de nog gron­di­ger ex­ploi­ta­tie van ou­de mark­ten. Waar­door dus? Door­dat zij al­zij­di­ger en ge­wel­di­ger cri­sis­sen voor­be­reidt en de mid­de­len om de cri­sis­sen te voor­ko­men, ver­min­dert.

De wa­pens waar­mee de bour­geoi­sie de fe­o­da­li­teit neer heeft ge­sla­gen, ke­ren zich nu te­gen de bour­geoi­sie zelf. Maar de bour­geoi­sie heeft niet al­leen de wa­pens ge­smeed die haar de dood bren­gen; zij heeft ook de man­nen ge­teeld die de­ze wa­pens zul­len han­te­ren — de mo­der­ne ar­bei­ders, de pro­le­ta­ri­ërs. In de­zelf­de ma­te waar­in de bour­geoi­sie, d.i. het ka­pi­taal, zich ont­wik­kelt, in de­zelf­de ma­te ont­wik­kelt zich het pro­le­ta­ri­aat, de klas­se van de mo­der­ne ar­bei­ders, die slechts zo lang le­ven als zij werk vin­den, en die slechts zo lang werk vin­den, als hun werk het ka­pi­taal ver­meer­dert. De­ze ar­bei­ders, die zich stuks­ge­wijs moe­ten ver­ko­pen, zijn een waar, als ie­der han­dels­ar­ti­kel, en daar­door in de­zelf­de ma­te aan al­le wis­sel­val­lig­he­den van de con­cur­ren­tie, aan al­le schom­me­lin­gen van de markt bloot­ge­steld.

De ar­beid van de pro­le­ta­ri­ërs heeft door de uit­brei­ding van de ma­chi­ne­rie en de ar­beids­ver­de­ling elk zelf­stan­dig ka­rak­ter, en daar­mee al­le aan­trek­ke­lijk­heid voor de ar­bei­ders ver­lo­ren. Hij wordt niets dan een aan­hang­sel van de ma­chi­ne, van wie slechts de een­vou­dig­ste, een­to­nig­ste, ge­mak­ke­lijkst te le­ren hand­gre­pen ver­langd wor­den. De kos­ten die de ar­bei­der ver­oor­zaakt, be­per­ken zich dus bij­na tot de le­vens­mid­de­len die hij tot zijn on­der­houd en tot voort­plan­ting van zijn ras no­dig heeft. De prijs van een waar, dus ook van de ar­beid, is even­wel ge­lijk aan haar pro­duc­tie­kos­ten. In de­zelf­de ma­te waar­mee het weer­zin­wek­ken­de van de ar­beid toe­neemt, neemt dus het loon af. Meer nog, in de­zelf­de ma­te waar­in ma­chi­ne­rie en ar­beids­ver­de­ling toe­ne­men, in de­zelf­de ma­te neemt ook de mas­sa van de ar­beid toe, het­zij door ver­meer­de­ring van de ar­beids­uren, het­zij door ver­meer­de­ring van de in een ge­ge­ven tijd ver­eis­te ar­beid, ver­snel­de loop van de ma­chi­nes, enz.

De mo­der­ne in­du­strie heeft de klei­ne werk­plaats van de pa­tri­ar­cha­le mees­ter ver­an­derd in de gro­te fa­briek van de in­du­stri­ë­le ka­pi­ta­list. Massa’s ar­bei­ders, in de fa­briek sa­men­ge­pakt, wor­den als sol­da­ten ge­or­ga­ni­seerd. Zij wor­den als ge­wo­ne sol­da­ten van de in­du­strie on­der het op­zicht van een vol­le­di­ge hi­ë­rar­chie van on­der­of­fi­cie­ren en of­fi­cie­ren ge­steld. Zij zijn niet slechts knech­ten van de bour­geois­klas­se, van de bour­geoisstaat, zij wor­den ie­de­re dag en ie­der uur ge­knecht door de ma­chi­ne, door de op­zich­ter, en voor al­les door de en­ke­le af­zon­der­lij­ke fa­bri­ce­ren­de bour­geois zelf. De­ze dwin­ge­lan­dij is des te klein­gees­ti­ger, ha­te­lij­ker, ver­bit­te­ren­der, hoe open­lij­ker zij het winst ma­ken als haar doel pro­cla­meert. Hoe min­der vaar­dig­heid en kracht de han­den­ar­beid vor­dert, dat wil zeg­gen hoe meer de mo­der­ne in­du­strie zich ont­wik­kelt, des te meer wordt de ar­beid van man­nen door die van vrou­wen ver­dron­gen. On­der­scheid van ge­slacht en leef­tijd geldt maat­schap­pe­lijk niet meer voor de ar­bei­ders­klas­se. Er be­staan nog slechts ar­beids­in­stru­men­ten, die naar ge­lang van leef­tijd en ge­slacht ver­schil­len­de kos­ten met zich mee­bren­gen.

Is de uit­bui­ting van de ar­bei­der door de fa­bri­kant zo ver af­ge­lo­pen, dat hij zijn ar­beids­loon in klin­ken­de munt uit­be­taald ont­vangt, dan val­len de an­de­re de­len van de bour­geoi­sie op hem aan, de huis­ei­ge­naar, de win­ke­lier, de pand­jes­huis­man, enz. De tot nu toe be­staan­de klei­ne mid­den­stand, de klei­ne in­du­stri­ë­len, koop­lie­den en ren­te­niers, de hand­werk­lie­den en boe­ren, al de­ze klas­sen da­len af in het pro­le­ta­ri­aat, ge­deel­te­lijk door­dat hun klein ka­pi­taal niet vol­doen­de is voor het drij­ven van groot­in­du­strie en on­der­gaat in de con­cur­ren­tie met de gro­te­re ka­pi­ta­lis­ten, ge­deel­te­lijk door­dat hun vaar­dig­heid door nieu­we pro­duc­tie­wij­zen waar­de­loos wordt. Zo wordt het pro­le­ta­ri­aat uit al­le klas­sen van de be­vol­king ge­re­kru­teerd.

Het pro­le­ta­ri­aat maakt ver­schil­len­de tijd­per­ken van ont­wik­ke­ling door. Zijn strijd te­gen de bour­geoi­sie be­gint met zijn be­staan. Aan­van­ke­lijk strij­den de af­zon­der­lij­ke ar­bei­ders, daar­na de ar­bei­ders van een fa­briek, dan de ar­bei­ders van een be­drijfs­tak op één plaats te­gen de en­ke­le bour­geois die hen on­mid­del­lijk uit­buit. Zij rich­ten hun aan­val­len niet al­leen te­gen de bur­ger­lij­ke pro­duc­tie­ver­hou­din­gen, zij rich­ten ze te­gen de voort­bren­gings­werk­tui­gen zelf; zij ver­nie­len de vreem­de con­cur­re­ren­de wa­ren, zij slaan de ma­chi­nes stuk, zij ste­ken de fa­brie­ken in brand, zij pro­be­ren de ver­dwe­nen plaats van de mid­del­eeuw­se ar­bei­der weer voor zich te ver­o­ve­ren.

Op de­ze trap van ont­wik­ke­ling vor­men de ar­bei­ders een over het ge­he­le land ver­strooi­de en door de con­cur­ren­tie ver­brok­kel­de mas­sa. Een in mas­sa aan el­kaar vast­hou­den van de ar­bei­ders is nog niet het ge­volg van hun ei­gen ver­e­ni­ging, maar het ge­volg van de ver­e­ni­ging van de bour­geoi­sie, die, om haar ei­gen po­li­tie­ke doel­ein­den te be­rei­ken, het ge­he­le pro­le­ta­ri­aat in be­we­ging moet bren­gen en het voor­lo­pig ook nog kan. Op de­ze ont­wik­ke­lings­trap be­strij­den de pro­le­ta­ri­ërs dus niet hun vij­an­den, maar de vij­an­den van hun vij­an­den, de over­blijf­sels van de ab­so­lu­te mo­nar­chie, de grond­ei­ge­naars, de niet-in­du­stri­ë­le bour­geois, de klein­bur­gers. De ge­he­le his­to­ri­sche be­we­ging is al­dus in de han­den van de bour­geoi­sie ge­con­cen­treerd; ie­de­re over­win­ning die zo be­voch­ten wordt, is een over­win­ning van de bour­geoi­sie.

Maar met de ont­wik­ke­ling van de in­du­strie ver­meer­dert niet al­leen het pro­le­ta­ri­aat; het wordt in gro­te­re massa’s sa­men­ge­dron­gen, zijn kracht groeit aan en het voelt haar meer. De be­lan­gen, de le­vens­toe­stan­den bin­nen het pro­le­ta­ri­aat ver­ef­fe­nen zich steeds meer, aan­ge­zien de ma­chi­ne meer en meer het on­der­scheid van de ar­beid uit­wist en het loon bij­na over­al tot een even laag ni­veau neer­drukt. De toe­ne­men­de con­cur­ren­tie van de bour­geois on­der el­kaar en de daar­uit voort­ko­men­de han­dels­cri­sis­sen ma­ken het loon van de ar­bei­ders steeds meer schom­me­lend; de steeds snel­ler zich ont­wik­ke­len­de, on­op­hou­de­lij­ke ver­be­te­ring van de ma­chi­ne­rie maakt hun ge­he­le le­vens­toe­stand steeds on­ze­ker­der; steeds meer ne­men de bot­sin­gen tus­sen de af­zon­der­lij­ke ar­bei­der en de af­zon­der­lij­ke bour­geois het ka­rak­ter van bot­sin­gen van twee klas­sen aan. De ar­bei­ders be­gin­nen co­a­li­ties te­gen de bour­geoi­sie te vor­men; zij ko­men bij­een tot ver­de­di­ging van hun ar­beids­loon. Zij stich­ten zelf duur­za­me as­so­ci­a­ties om zich voor de tel­kens voor­ko­men­de op­stan­den van pro­vi­and te voor­zien. Hier en daar breekt de strijd in op­roer los.

Van tijd tot tijd ze­ge­vie­ren de ar­bei­ders, maar slechts voor­bij­gaand. Het ei­gen­lijk re­sul­taat van hun ge­vech­ten is niet het di­rec­te suc­ces, maar de al­tijd ver­der om zich grij­pen­de ver­e­ni­ging van de ar­bei­ders. Zij wordt be­vor­derd door de toe­ne­men­de ver­keers­mid­de­len, die door de groot­in­du­strie wor­den voort­ge­bracht en die de ar­bei­ders van de ver­schil­len­de stre­ken met el­kaar in ver­bin­ding brengt. Maar ver­bin­ding is al­leen nog maar no­dig om de ve­le lo­ka­le wor­ste­lin­gen, die over­al het­zelf­de ka­rak­ter ver­to­nen, tot een na­ti­o­na­le, tot een klas­sen­strijd te cen­tra­li­se­ren. Ie­de­re klas­sen­strijd is ech­ter een po­li­tie­ke strijd. En de ver­e­ni­ging waar­voor de bur­gers van de mid­del­eeu­wen met hun buurt­we­gen eeu­wen no­dig had­den, bren­gen de mo­der­ne pro­le­ta­ri­ërs met de spoor­we­gen in wei­ni­ge ja­ren tot stand.

De­ze or­ga­ni­sa­tie van de pro­le­ta­ri­ërs tot klas­se, en daar­door tot po­li­tiek ge­heel, wordt ie­der ogen­blik weer ver­bro­ken door de con­cur­ren­tie on­der de ar­bei­ders zelf. Maar zij her­leeft tel­kens weer, ster­ker, vas­ter, mach­ti­ger. Ze dwingt de er­ken­ning van af­zon­der­lij­ke ar­bei­ders­be­lan­gen af in de vorm van wet­ten, door­dat ze ge­bruik maakt van in­ter­ne breu­ken in de bour­geoi­sie. Bij­voor­beeld de 10-uren­wet in En­ge­land.

In het al­ge­meen be­vor­de­ren de bot­sin­gen in de ou­de maat­schap­pij op ve­le ma­nie­ren de ont­wik­ke­lings­gang van het pro­le­ta­ri­aat. De bour­geoi­sie be­vindt zich in voort­du­ren­de strijd: in het be­gin te­gen de aris­to­cra­tie, la­ter te­gen die de­len van de bour­geoi­sie zelf, wier be­lan­gen in te­gen­spraak ko­men met de voor­uit­gang van de in­du­strie; steeds te­gen de bour­geoi­sie van al­le vreem­de lan­den. In al de­ze ge­vech­ten ziet zij zich ge­nood­zaakt een be­roep te doen op het pro­le­ta­ri­aat, zijn hulp te vra­gen en het al­dus in de po­li­tie­ke be­we­ging te trek­ken. Zij zelf ver­schaft dus aan het pro­le­ta­ri­aat haar ei­gen vor­mings­ele­men­ten, d.w.z. wa­pens te­gen haar­zelf. Ver­der wor­den, zo­als wij ge­zien heb­ben, door de voor­uit­gang van de in­du­strie he­le de­len van de heer­sen­de klas­se in het pro­le­ta­ri­aat ge­wor­pen of ten­min­ste in hun le­vens­voor­waar­den be­dreigd. Ook zij bren­gen het pro­le­ta­ri­aat een mas­sa vor­mings­ele­men­ten aan.

In tij­den ten slot­te waar­in de klas­sen­strijd zijn be­slis­sing na­dert, neemt het ont­bin­dings­pro­ces bin­nen de heer­sen­de klas­se, bin­nen de ge­he­le ou­de maat­schap­pij, een zo hef­tig, zo schril ka­rak­ter aan dat een klein deel van de heer­sen­de klas­se zich van haar los­maakt en zich bij de re­vo­lu­ti­o­nai­re klas­se aan­sluit, de klas­se, die de toe­komst in haar han­den draagt. Even­als dus vroe­ger een deel van de adel tot de bour­geoi­sie over­ging, zo gaat nu een deel van de bour­geoi­sie tot het pro­le­ta­ri­aat over, en voor­na­me­lijk een deel van de bur­ger­lij­ke ide­o­lo­gen die zich tot het the­o­re­ti­sche be­grip van de he­le his­to­ri­sche be­we­ging heb­ben op­ge­werkt. Van al­le klas­sen die van­daag te­gen­over de bour­geoi­sie staan, is al­leen het pro­le­ta­ri­aat een wer­ke­lijk re­vo­lu­ti­o­nai­re klas­se. De ove­ri­ge klas­sen ver­kom­me­ren en gaan ten on­der aan de groot­in­du­strie, het pro­le­ta­ri­aat is haar ei­gen pro­duct.

De mid­den­stand, de klei­ne in­du­strie, de klei­ne koop­man, de hand­werks­man, de boer, zij al­len be­strij­den de bour­geoi­sie, om hun be­staan als mid­den­stand voor de on­der­gang te be­wa­ren. Zij zijn dus niet re­vo­lu­ti­o­nair, maar con­ser­va­tief. Meer nog, zij zijn re­ac­ti­o­nair, zij pro­be­ren het rad van de ge­schie­de­nis te­rug te draai­en. Zijn zij re­vo­lu­ti­o­nair, dan zijn zij het met het oog op de on­der­gang in het pro­le­ta­ri­aat die hen wacht, dan ver­de­di­gen zij niet hun te­gen­woor­di­ge, maar hun toe­kom­sti­ge be­lan­gen, dan ver­la­ten zij hun ei­gen stand­punt, om zich te stel­len op dat van het pro­le­ta­ri­aat.

Het lom­pen­pro­le­ta­ri­aat, de­ze lij­de­lij­ke ver­rot­ting van de on­der­ste la­gen van de ou­de maat­schap­pij, wordt door een pro­le­ta­ri­sche re­vo­lu­tie hier en daar in de be­we­ging ge­slin­gerd; maar het zal vol­gens zijn he­le le­vens­wij­ze eer­der be­reid zijn zich voor re­ac­ti­o­nai­re kui­pe­rij­en te la­ten om­ko­pen. De le­vens­voor­waar­den van de ou­de maat­schap­pij zijn reeds ver­nie­tigd in de le­vens­voor­waar­den van het pro­le­ta­ri­aat. De pro­le­ta­ri­ër is zon­der ei­gen­dom; zijn ver­hou­ding tot vrouw en kin­de­ren heeft niets meer ge­meen met de bur­ger­lij­ke fa­mi­lie­ver­hou­ding; de mo­der­ne in­du­stri­ë­le ar­beid, de mo­der­ne dienst­baar­heid on­der het ka­pi­taal, de­zelf­de in En­ge­land als in Frank­rijk, in Ame­ri­ka als in Duits­land, heeft hem van elk na­ti­o­naal ka­rak­ter ont­daan. De wet­ten, de mo­raal, de gods­dienst zijn voor hem even zo ve­le bur­ger­lij­ke voor­oor­de­len, ach­ter wel­ke zich even zo ve­le bur­ger­lij­ke be­lan­gen ver­schui­len.

Al­le vroe­ge­re klas­sen die de heer­schap­pij ver­o­ver­den, pro­beer­den hun reeds ver­wor­ven plaats te ver­ze­ke­ren door de he­le maat­schap­pij aan de be­staans­voor­waar­den van hun be­drijf te on­der­wer­pen. De pro­le­ta­ri­ërs kun­nen de maat­schap­pe­lij­ke pro­duc­tie­krach­ten slechts ver­o­ve­ren door hun ei­gen tot nu toe be­staan­de wij­ze van toe-ei­ge­ning, en daar­mee de ge­he­le tot nu toe be­staan­de wij­ze van toe-ei­ge­ning af te schaf­fen. De pro­le­ta­ri­ërs heb­ben niets van het hun­ne te ver­ze­ke­ren, zij heb­ben al­le tot nu toe be­staan­de pri­vaat­ze­ker­he­den en pri­vaat­ver­ze­ke­rin­gen te ver­nie­ti­gen.

Al­le be­we­gin­gen tot nu toe wa­ren be­we­gin­gen van min­der­he­den of in het be­lang van min­der­he­den. De pro­le­ta­ri­sche be­we­ging is de zelf­stan­di­ge be­we­ging van de ont­zag­lij­ke meer­der­heid in het be­lang van de ont­zag­lij­ke meer­der­heid. Het pro­le­ta­ri­aat, de on­der­ste laag van de te­gen­woor­di­ge maat­schap­pij, kan zich niet op­rich­ten, niet ver­hef­fen, zon­der dat de he­le bo­ven­bouw van de la­gen die de of­fi­ci­ë­le maat­schap­pij vor­men, in de lucht springt.

Hoe­wel niet naar in­houd, is de strijd van het pro­le­ta­ri­aat te­gen de bour­geoi­sie wat de vorm be­treft voor­lo­pig een na­ti­o­na­le strijd. Het pro­le­ta­ri­aat van elk land moet het na­tuur­lijk eerst met zijn ei­gen bour­geoi­sie klaar spe­len. Toen wij de al­ge­meen­ste ont­wik­ke­lings­fa­sen van het pro­le­ta­ri­aat schet­sten, volg­den we de min of meer ver­bor­gen bur­ger­oor­log bin­nen de be­staan­de maat­schap­pij tot op dat punt waar­op hij in een open re­vo­lu­tie uit­breekt, en, door de ge­weld­da­di­ge om­ver­wer­ping van de bour­geoi­sie, het pro­le­ta­ri­aat zijn ei­gen heer­schap­pij ves­tigt.

El­ke maat­schap­pij tot nu toe be­rust­te, zo­als we ge­zien heb­ben, op de te­gen­stel­ling van on­der­druk­ken­de en on­der­druk­te klas­sen. Om even­wel een klas­se te kun­nen on­der­druk­ken, moe­ten haar le­vens­voor­waar­den ver­ze­kerd zijn, waar­bin­nen zij ten­min­ste haar slaaf­se be­staan kan rek­ken. De lijf­ei­ge­ne heeft zich tot lid van de com­mu­ne op­ge­werkt in de lijf­ei­gen­schap, even­als de klein­bur­ger tot bour­geois on­der het juk van het fe­o­da­le ab­so­lu­tis­me. De mo­der­ne ar­bei­der daar­en­te­gen, in plaats van zich met de voor­uit­gang van de in­du­strie te ver­hef­fen, zinkt steeds die­per on­der de le­vens­voor­waar­den van zijn ei­gen klas­se. De ar­bei­der wordt tot pau­per en het pau­pe­ris­me ont­wik­kelt zich nog snel­ler dan be­vol­king en rijk­dom. Hier­mee komt het open­lijk aan de dag dat de bour­geoi­sie niet in staat is nog lan­ger de heer­sen­de klas­se van de maat­schap­pij te blij­ven en de le­vens­voor­waar­den van haar klas­se aan de maat­schap­pij als re­gel en wet op te drin­gen. Zij is niet in staat te heer­sen, om­dat zij niet in staat is haar slaaf het be­staan zelf bin­nen zijn sla­ver­nij te ver­ze­ke­ren, om­dat zij ge­dwon­gen is hem in een toe­stand te la­ten ver­zin­ken waar­in zij hem moet voe­den, in plaats van door hem ge­voed te wor­den. De maat­schap­pij kan niet meer on­der haar le­ven, d.w.z. haar le­ven kan niet meer sa­men­gaan met de maat­schap­pij.

De we­zen­lij­ke voor­waar­de voor het be­staan en voor de heer­schap­pij van de bour­geois­klas­se is de op­een­ho­ping van rijk­dom in de han­den van pri­vaat­per­so­nen, de vor­ming en ver­meer­de­ring van het ka­pi­taal; de voor­waar­de van het ka­pi­taal is de loon­ar­beid. De loon­ar­beid be­rust uit­slui­tend op de con­cur­ren­tie van de ar­bei­ders on­der el­kaar. De voor­uit­gang van de in­du­strie, wier wil­lo­ze en ver­zets­lo­ze dra­ger de bour­geoi­sie is, stelt in de plaats van de iso­le­ring van de ar­bei­ders door de con­cur­ren­tie hun re­vo­lu­ti­o­nai­re ver­e­ni­ging door de as­so­ci­a­tie. Met de ont­wik­ke­ling van de groot­in­du­strie wordt dus on­der de voe­ten van de bour­geoi­sie de bo­dem zelf weg­ge­trok­ken, waar­op zij pro­du­ceert en zich de pro­duc­ten toe-ei­gent. Zij pro­du­ceert voor al­les haar ei­gen dood­gra­ver. Haar on­der­gang en de ze­ge van het pro­le­ta­ri­aat zijn even on­ver­mij­de­lijk.

HOOFDSTUK II: Pro­le­ta­ri­ërs en com­mu­nis­ten

In wel­ke ver­hou­ding staan de com­mu­nis­ten tot de pro­le­ta­ri­ërs in het al­ge­meen? De com­mu­nis­ten zijn geen bij­zon­de­re par­tij te­gen­over de an­de­re ar­bei­ders­be­we­gin­gen. Zij heb­ben geen be­lan­gen die ge­schei­den zijn van de be­lan­gen van het ge­he­le pro­le­ta­ri­aat. Zij stel­len geen sek­ta­ri­sche be­gin­se­len op, waar­naar zij de pro­le­ta­ri­sche be­we­ging wil­len mo­del­le­ren.

De com­mu­nis­ten on­der­schei­den zich van de ove­ri­ge pro­le­ta­ri­sche par­tij­en al­leen daar­door, dat zij aan de ene kant in de na­ti­o­na­le strijd van de pro­le­ta­ri­ërs in de ver­schil­len­de lan­den de ge­meen­schap­pe­lij­ke, van de na­ti­o­na­li­teit on­af­han­ke­lij­ke be­lan­gen van het pro­le­ta­ri­aat hoog hou­den en doen gel­den, aan de an­de­ren kant daar­door, dat zij op de ver­schil­len­de trap­pen van ont­wik­ke­ling, die de strijd tus­sen pro­le­ta­ri­aat en bour­geoi­sie door­loopt, steeds het be­lang van de ge­he­le be­we­ging ver­te­gen­woor­di­gen. De com­mu­nis­ten zijn dus prak­tisch het meest be­slis­te, al­tijd voor­waarts drij­ven­de ge­deel­te van de ar­bei­ders­par­tij­en al­ler lan­den; the­o­re­tisch heb­ben zij op de ove­ri­ge mas­sa van het pro­le­ta­ri­aat voor dat zij in­zicht heb­ben in de voor­waar­den, de gang en de al­ge­me­ne re­sul­ta­ten van de pro­le­ta­ri­sche be­we­ging. Het naas­te doel van de com­mu­nis­ten is het­zelf­de als dat van al­le ove­ri­ge pro­le­ta­ri­sche par­tij­en: de vor­ming van het pro­le­ta­ri­aat tot klas­se, de om­ver­wer­ping van de heer­schap­pij van de bour­geoi­sie, de ver­o­ve­ring van de po­li­tie­ke macht door het pro­le­ta­ri­aat.

De the­o­re­ti­sche stel­lin­gen van de com­mu­nis­ten be­rus­ten vol­strekt niet op idee­ën, op de prin­ci­pes, die door een of an­de­re we­reld­her­vor­mer uit­ge­von­den of ont­dekt zijn. Zij zijn slechts de al­ge­me­ne uit­druk­king van fei­te­lij­ke ver­hou­din­gen van een be­staan­de klas­sen­strijd, van een on­der on­ze ogen ge­beu­ren­de his­to­ri­sche be­we­ging. De af­schaf­fing van tot nu toe be­staan­de ei­gen­doms­ver­hou­din­gen is niet iets wat het com­mu­nis­me af­zon­der­lijk ken­merkt. Al­le ei­gen­doms­ver­hou­din­gen wa­ren aan een voort­du­ren­de his­to­ri­sche wis­se­ling, een voort­du­ren­de his­to­ri­sche ver­an­de­ring on­der­wor­pen. De Fran­se Re­vo­lu­tie bij­voor­beeld schaf­te het fe­o­da­le ei­gen­dom ten gunste van het bur­ger­lij­ke af.

Wat het com­mu­nis­me ken­merkt, is niet de af­schaf­fing van het ei­gen­dom in het al­ge­meen, maar de af­schaf­fing van het bur­ger­lij­ke ei­gen­dom. Maar het mo­der­ne bur­ger­lij­ke pri­vé-ei­gen­dom is de laat­ste en vol­maakt­ste uit­druk­king van het ma­ken en zich toe-ei­ge­nen van pro­duc­ten, dat op klas­sen­te­gen­stel­lin­gen, op de uit­bui­ting van de een door de an­der be­rust. In die zin kun­nen de com­mu­nis­ten hun the­o­rie sa­men­vat­ten in die ene for­mu­le: op­hef­fing van het pri­vé-ei­gen­dom. Men heeft ons com­mu­nis­ten ver­we­ten dat wij het per­soon­lijk ver­wor­ven, zelf door ei­gen ar­beid ver­dien­de ei­gen­dom wil­den af­schaf­fen; het ei­gen­dom, dat de grond­slag vormt van al­le per­soon­lij­ke vrij­heid, ar­beid­zaam­heid en zelf­stan­dig­heid. Door ei­gen ar­beid ver­wor­ven en ver­diend ei­gen­dom! Spreekt gij van het ei­gen­dom van de klein­bur­ger, de klei­ne boer, dat aan het bur­ger­lijk ei­gen­dom voor­af­ging? Dat hoe­ven we niet af te schaf­fen, de ont­wik­ke­ling van de in­du­strie heeft het af­ge­schaft en schaft het ie­de­re dag af. Of spreekt gij van het mo­der­ne bur­ger­lij­ke pri­vé-ei­gen­dom? Be­zorgt ech­ter de loon­ar­beid, de ar­beid van de pro­le­ta­ri­ër hem ei­gen­dom? Vol­strekt niet. Hij schept het ka­pi­taal, dat wil zeg­gen dat ei­gen­dom, dat de loon­ar­beid uit­buit, dat zich al­leen on­der de voor­waar­de ver­meer­de­ren kan dat het nieu­we loon­ar­beid teelt, om hem op­nieuw uit te bui­ten. Het ei­gen­dom in zijn te­gen­woor­di­ge ge­daan­te be­weegt zich in de te­gen­stel­ling van ka­pi­taal en loon­ar­beid. La­ten we de bei­de kan­ten van de­ze te­gen­stel­ling eens be­kij­ken.

Ka­pi­ta­list zijn be­te­kent niet al­leen een zui­ver per­soon­lij­ke, maar een maat­schap­pe­lij­ke plaats in­ne­men in de pro­duc­tie. Het ka­pi­taal is een ge­meen­schap­pe­lijk pro­duct en kan al­leen door een ge­meen­schap­pe­lij­ke werk­zaam­heid van ve­le le­den, ja in laat­ste in­stan­tie door de ge­meen­schap­pe­lij­ke werk­zaam­heid van al­le le­den van de maat­schap­pij in be­we­ging ge­zet wor­den. Het ka­pi­taal is dus geen per­soon­lij­ke, het is een maat­schap­pe­lij­ke macht. Wan­neer dus het ka­pi­taal in ge­meen­schap­pe­lijk, aan al­le le­den van de maat­schap­pij toe­be­ho­rend ei­gen­dom ver­an­derd wordt, dan wordt niet per­soon­lijk ei­gen­dom in maat­schap­pe­lijk ver­an­derd. Al­leen het maat­schap­pe­lijk ka­rak­ter van het ei­gen­dom wordt ver­an­derd. Het ver­liest zijn klas­sen­ka­rak­ter.

En nu de loon­ar­beid.

De ge­mid­del­de prijs van de loon­ar­beid is het mi­ni­mum van het ar­beids­loon, dat wil zeg­gen de som van de le­vens­mid­de­len die no­dig zijn om de ar­bei­der als ar­bei­der in le­ven te hou­den. Wat dus de loon­ar­bei­der door zijn werk­zaam­heid zich toe-ei­gent, is al­leen vol­doen­de om hem zijn naak­te le­ven weer voort te bren­gen. Wij wil­len de­ze per­soon­lij­ke toe-ei­ge­ning van de ar­beids­pro­duc­ten, die tot de her­schep­ping van het on­mid­del­lij­ke le­ven dient, vol­strekt niet af­schaf­fen, een toe-ei­ge­ning die geen over­schot over­laat, dat macht over ar­beid van an­de­ren zou kun­nen ge­ven. Wij wil­len al­leen het el­len­di­ge ka­rak­ter van de­ze toe-ei­ge­ning op­hef­fen, waar­in de ar­bei­der slechts leeft om het ka­pi­taal te ver­meer­de­ren, slechts in zo­ver leeft als het be­lang van de heer­sen­de klas­se dit ver­eist. In de bur­ger­lij­ke maat­schap­pij is de le­ven­de ar­beid slechts een mid­del om de op­ge­sta­pel­de ar­beid te ver­meer­de­ren. In de com­mu­nis­ti­sche maat­schap­pij is de op­ge­sta­pel­de ar­beid slechts een mid­del om het le­vens­pro­ces van de ar­bei­ders rui­mer, rij­ker, ster­ker te ma­ken.

In de bur­ger­lij­ke maat­schap­pij heerst dus het ver­le­den over het te­gen­woor­di­ge, in de com­mu­nis­ti­sche het te­gen­woor­di­ge over het ver­le­den. In de bur­ger­lij­ke maat­schap­pij is het ka­pi­taal zelf­stan­dig en per­soon­lijk, ter­wijl het wer­ken­de in­di­vi­du on­zelf­stan­dig en on­per­soon­lijk is. En de op­hef­fing van de­ze ver­hou­ding noemt de bour­geoi­sie op­hef­fing van per­soon­lijk­heid en vrij­heid. En te­recht. Want het gaat zeer ze­ker om de op­hef­fing van de bour­geoisper­soon­lijk­heid, zelf­stan­dig­heid en vrij­heid. On­der vrij­heid ver­staat men bin­nen de nu heer­sen­de bur­ger­lij­ke pro­duc­tie­ver­hou­din­gen de vrije han­del, de vrije koop en ver­koop. Ver­valt even­wel de woe­ker, dan ver­valt ook de vrije woe­ker. De uit­wei­din­gen over de vrije woe­ker heb­ben, even­als al het ge­zwets over vrij­heid van on­ze bour­geoi­sie, in ‘t al­ge­meen al­leen be­te­ke­nis te­gen­over de on­vrije, de ge­bon­den woe­ker, te­gen­over de ge­knech­te bur­ger van de mid­del­eeu­wen, niet te­gen­over de com­mu­nis­ti­sche op­hef­fing van al­le woe­ker, van de bur­ger­lij­ke pro­duc­tie­ver­hou­din­gen en van de bour­geoi­sie zelf.

Gij zij ont­steld dat wij het pri­vé-ei­gen­dom wil­len op­hef­fen. Maar in uw be­staan­de maat­schap­pij is het pri­vé-ei­gen­dom voor ne­gen tien­de van haar le­den op­ge­he­ven; het be­staat juist al­leen daar­door, dat het voor ne­gen tien­de niet be­staat. Gij ver­wijt ons dus dat wij een ei­gen­dom wil­len op­hef­fen dat het niet-heb­ben-van-ei­gen­dom van de over­gro­te meer­der­heid van de maat­schap­pij als nood­za­ke­lij­ke voor­waar­de voor­on­der­stelt. Gij ver­wijt ons met één woord dat wij uw ei­gen­dom wil­len op­hef­fen. Ze­ker, dat wil­len wij. Van­af het ogen­blik dat de ar­beid niet meer in ka­pi­taal, geld, grond­ren­te, kort­om in een mo­no­po­li­seer­ba­re maat­schap­pe­lij­ke macht ver­an­derd kan wor­den, d.i. van het ogen­blik af aan dat het per­soon­lij­ke ei­gen­dom niet meer in bur­ger­lijk ei­gen­dom kan om­slaan, van dat ogen­blik af ver­klaart gij: de per­soon is op­ge­he­ven.

Gij geeft dus toe dat gij on­der per­soon nie­mand an­ders ver­staat dan de bour­geois, de bur­ger­lij­ke ei­ge­naar. En de­ze per­soon moet in­der­daad wor­den op­ge­he­ven. Het com­mu­nis­me ont­neemt nie­mand de macht zich maat­schap­pe­lij­ke pro­duc­ten toe te ei­ge­nen, het ont­neemt slechts de macht door de­ze toe-ei­ge­ning ar­beid van an­de­ren voor ei­gen baat te on­der­wer­pen. Men heeft te­gen ons aan­ge­voerd dat met de op­hef­fing van het pri­vé-ei­gen­dom al­le ar­beid­zaam­heid zou op­hou­den en een al­ge­me­ne lui­heid zou ont­staan. Als dat waar was, moest de bur­ger­lij­ke maat­schap­pij al lang aan lui­heid te gron­de ge­gaan zijn, want zij die in haar wer­ken ‘ver­die­nen’ niet en zij die in haar ‘ver­die­nen’, wer­ken niet. De he­le be­den­king komt neer op de tau­to­lo­gie dat er geen loon­ar­beid meer be­staat zo­dra er geen ka­pi­taal meer be­staat.

Al­le te­gen­wer­pin­gen, die te­gen de com­mu­nis­ti­sche wij­ze van toe-ei­ge­nen en pro­du­ce­ren van de ma­te­ri­ë­le pro­duc­ten ge­richt wor­den, zijn ook uit­ge­strekt tot de toe-ei­ge­ning en voort­bren­ging van de gees­te­lij­ke pro­duc­ten. Even­als voor de bour­geois het op­hou­den van het klas­senei­gen­dom het op­hou­den van de pro­duc­tie zelf is, zo is voor hem het op­hou­den van de klas­sen­be­scha­ving iden­tiek met het op­hou­den van al­le be­scha­ving. De be­scha­ving, de vor­ming, wiens ver­lies hij be­treurt, is voor de enor­me meer­der­heid de vor­ming tot ma­chi­ne. Maar strijdt niet met ons, zo­lang gij aan uw bur­ger­lij­ke voor­stel­lin­gen van vrij­heid, be­scha­ving, recht en­zo­voort, de af­schaf­fing van het bur­ger­lij­ke ei­gen­dom meet. Uw idee­ën zelf zijn voort­breng­se­len van de bur­ger­lij­ke pro­duc­tie- en ei­gen­doms­ver­hou­din­gen, even­als uw recht slechts de tot wet ver­he­ven wil van uw klas­se is, een wil, waar­van de in­houd ge­ge­ven is in de ma­te­ri­ë­le le­vens­voor­waar­den van uw klas­se. De baat­zuch­ti­ge voor­stel­ling waar­mee gij uw pro­duc­tie- en ei­gen­doms­ver­hou­din­gen uit his­to­ri­sche, in de loop van de pro­duc­tie voor­bij­gaan­de ver­hou­din­gen in eeu­wi­ge na­tuur- en re­de­wet­ten ver­an­dert, de­ze voor­stel­ling deelt gij met al­le on­der­ge­ga­ne heer­sen­de klas­sen. Wat gij voor het an­tie­ke ei­gen­dom be­grijpt, wat gij voor het fe­o­da­le ei­gen­dom be­grijpt, moogt gij niet meer be­grij­pen voor het bur­ger­lij­ke ei­gen­dom.

Op­hef­fing van het huis­ge­zin! Zelfs de ra­di­caal­sten ij­ve­ren te­gen dit schan­de­lij­ke doel van de com­mu­nis­ten. Waar­op be­rust het te­gen­woor­di­ge, het bur­ger­lij­ke huis­ge­zin? Op het ka­pi­taal, op het pri­vé-in­ko­men. Ge­heel ont­wik­keld be­staat het slechts voor de bour­geoi­sie, maar het vindt zijn aan­vul­ling in de ge­dwon­gen fa­mi­lie­loos­heid van de pro­le­ta­ri­ërs en in de open­ba­re pros­ti­tu­tie. Het huis­ge­zin van de bour­geois valt na­tuur­lijk weg met het weg­val­len van de aan­vul­ling daar­van en bei­de ver­dwij­nen met het ver­dwij­nen van het ka­pi­taal.

Ver­wijt gij ons dat wij de uit­bui­ting van de kin­de­ren door hun ou­ders wil­len op­hef­fen? De­ze mis­daad be­ken­nen wij. Maar, zegt gij, wij hef­fen de in­nig­ste ver­hou­din­gen op, wan­neer wij in de plaats van de op­voe­ding thuis de maat­schap­pe­lij­ke stel­len. En is ook niet uw op­voe­ding door de maat­schap­pij be­paald? Door de maat­schap­pe­lij­ke ver­hou­din­gen waar­bin­nen gij op­voedt, door de meer di­rec­te of in­di­rec­te in­men­ging van de maat­schap­pij, door mid­del van de school en­zo­voort? De com­mu­nis­ten vin­den de in­vloed van de maat­schap­pij op de op­voe­ding niet uit; zij ver­an­de­ren slechts haar ka­rak­ter, zij ont­ruk­ken de op­voe­ding aan de in­vloed van de heer­sen­de klas­se. De bur­ger­lij­ke re­de­ne­rin­gen over huis­ge­zin en op­voe­ding, over de in­ni­ge ver­hou­din­gen van ou­ders en kin­de­ren wor­den des te mis­se­lij­ker, hoe meer ten ge­vol­ge van de groot­in­du­strie al­le fa­mi­lie­ban­den voor de pro­le­ta­ri­ërs ver­scheurd en de kin­de­ren in een­vou­di­ge han­dels­ar­ti­ke­len en ar­beids­in­stru­men­ten ver­an­derd wor­den.

Maar gij, com­mu­nis­ten, gij wilt de vrou­wen­ge­meen­schap in­voe­ren, schreeuwt ons de he­le bour­geoi­sie in koor te­ge­moet. De bour­geois ziet in zijn vrouw al­leen een pro­duc­tie-in­stru­ment. Hij hoort dat de pro­duc­tie­werk­tui­gen ge­meen­schap­pe­lijk zul­len wor­den ge­bruikt en kan zich nu na­tuur­lijk niets an­ders in­den­ken dan dat het lot van ge­meen­schap­pe­lijk­heid de vrouw even­eens zal tref­fen. Hij ver­moedt zelfs niet dat het juist daar­om gaat, de plaats van de. vrouw als uit­slui­tend pro­duc­tie-in­stru­ment op te hef­fen. Niets is ove­ri­gens be­la­che­lij­ker dan de hoog ze­de­lij­ke ont­zet­ting van on­ze bour­geois over de zo­ge­naam­de of­fi­ci­ë­le vrou­wen­ge­meen­schap van de com­mu­nis­ten. De com­mu­nis­ten be­hoe­ven de vrou­wen­ge­meen­schap niet in te voe­ren, zij heeft zo goed als al­tijd be­staan. On­ze bour­geois, niet te­vre­den er­mee dat de vrou­wen en doch­ters van hun pro­le­ta­ri­ërs hun ter be­schik­king staan, nog ge­zwe­gen van de open­lij­ke pros­ti­tu­tie, vin­den er een ge­not in el­kaars vrou­wen we­der­ke­rig te ver­lei­den. Het bur­ger­lijk hu­we­lijk is in wer­ke­lijk­heid het ge­meen­schap­pe­lijk be­zit van de ge­trouw­de vrou­wen. Hoog­stens zou men de com­mu­nis­ten kun­nen ver­wij­ten dat zij in plaats van een hui­chel­ach­tig ver­bor­gen, een of­fi­ci­ë­le, open­har­ti­ge vrou­wen­ge­meen­schap zou­den wil­len in­voe­ren. Het spreekt ove­ri­gens voor zich dat met de op­hef­fing van de te­gen­woor­di­ge pro­duc­tie­ver­hou­din­gen ook de uit hen voort­ko­men­de vrou­wen­ge­meen­schap, d.w.z. de of­fi­ci­ë­le en niet-of­fi­ci­ë­le pros­ti­tu­tie, ver­dwijnt.

De com­mu­nis­ten wordt ver­der ver­we­ten dat zij het va­der­land, de na­ti­o­na­li­teit, wil­len af­schaf­fen. De ar­bei­ders heb­ben geen va­der­land. Men kan hun niet ont­ne­men wat zij niet heb­ben. Door­dat het pro­le­ta­ri­aat moet be­gin­nen de po­li­tie­ke heer­schap­pij te ver­o­ve­ren, zich­zelf tot na­ti­o­na­le klas­se te ver­hef­fen, zich­zelf als na­tie te con­sti­tu­e­ren, is het zelf nog na­ti­o­naal, zij het dan ook vol­strekt niet in de zin van de bour­geoi­sie. De na­ti­o­na­le af­zon­de­ring en on­der­lin­ge te­gen­stel­ling van de vol­ke­ren ver­dwij­nen meer en meer reeds met de ont­wik­ke­ling van de bour­geoi­sie, met de han­dels­vrij­heid, de we­reld­markt, de ge­lijk­vor­mig­heid van de in­du­stri­ë­le pro­duc­tie en de met de­ze over­een­ko­men­de le­vens­ver­hou­din­gen.

De heer­schap­pij van het pro­le­ta­ri­aat zal ze nog meer doen ver­dwij­nen. Ge­za­men­lij­ke ac­tie, ten­min­ste van de be­schaaf­de lan­den, is een van de eer­ste voor­waar­den van zijn be­vrij­ding. Naar­ma­te de ex­ploi­ta­tie van het ene in­di­vi­du door het an­de­re wordt op­ge­he­ven, wordt de ex­ploi­ta­tie van de ene na­tie door de an­de­re op­ge­he­ven. Met de te­gen­stel­ling van de klas­sen in het in­wen­di­ge van de na­tie valt de vij­an­de­lij­ke hou­ding van de na­ties on­der­ling.

De aan­klach­ten die van gods­dien­sti­ge, wijs­ge­ri­ge en ide­o­lo­gi­sche ge­zichts­pun­ten in het al­ge­meen te­gen het com­mu­nis­me wor­den ge­richt, ver­die­nen geen uit­voe­ri­ger be­spre­king. Is er diep in­zicht voor no­dig om te be­grij­pen dat met de le­vens­ver­hou­din­gen van de men­sen, met hun maat­schap­pe­lij­ke be­trek­kin­gen tot el­kaar, met hun maat­schap­pe­lijk zijn, ook hun voor­stel­lin­gen, ziens­wij­zen en be­grip­pen, in één woord ook hun be­wust­zijn ver­an­dert? Wat be­wijst de ge­schie­de­nis van de idee­ën an­ders dan dat de gees­te­lij­ke pro­duc­tie zich ver­vormt met de ma­te­ri­ë­le? De heer­sen­de idee­ën van een tijd wa­ren al­tijd slechts de idee­ën van de heer­sen­de klas­se.

Men spreekt van idee­ën die een he­le maat­schap­pij re­vo­lu­ti­o­ne­ren; men spreekt daar­mee slechts het feit uit dat bin­nen de ou­de maat­schap­pij zich de ele­men­ten van een nieu­we heb­ben ge­vormd, dat met de ver­nie­ti­ging van de ou­de le­vens­ver­hou­din­gen de ver­nie­ti­ging van de ou­de idee­ën ge­lij­ke tred houdt. Toen de ou­de we­reld ten on­der­gang neig­de, wer­den de ou­de gods­dien­sten door de chris­te­lij­ke gods­dienst over­won­nen. Toen de chris­te­lij­ke idee­ën in de 18e eeuw on­der­gin­gen voor de ‘verlichtings’ideeën, streed de fe­o­da­le maat­schap­pij haar dood­strijd met de toen re­vo­lu­ti­o­nai­re bour­geoi­sie. De idee­ën van de ge­we­tens- en gods­dienst­vrij­heid spra­ken slechts de heer­schap­pij van de vrije con­cur­ren­tie op het ge­bied van het we­ten uit. “Maar”, zal men zeg­gen, “gods­dien­sti­ge, ze­de­lij­ke, wijs­ge­ri­ge, po­li­tie­ke rechtsi­dee­ën en­zo­voort, ver­vorm­den zich zeer ze­ker in de loop van de his­to­ri­sche ont­wik­ke­ling. De gods­dienst, de mo­raal, de wijs­be­geer­te, de po­li­tiek, het recht ble­ven steeds in de­ze wis­se­ling be­waard. Er zijn bo­ven­dien eeu­wi­ge waar­he­den, zo­als vrij­heid, ge­rech­tig­heid, enz., die al­le maat­schap­pe­lij­ke toe­stan­den ge­meen heb­ben. Het com­mu­nis­me even­wel schaft de eeu­wi­ge waar­he­den af, het schaft de gods­dienst af, de mo­raal, in plaats van ze een nieuw vorm te ge­ven, het is dus in strijd met al­le his­to­ri­sche ont­wik­ke­ling tot nu toe.” Waar­op komt de­ze aan­klacht neer? De ge­schie­de­nis van de he­le maat­schap­pij tot nu toe be­woog zich in klas­sen­te­gen­stel­lin­gen, die in de ver­schil­len­de tijd­per­ken ver­schil­lend wa­ren. Wel­ke vorm zij even­wel ook ooit heb­ben aan­ge­no­men, de uit­bui­ting van het ene deel van de maat­schap­pij door het an­de­re is een feit dat al­le vroe­ge­re eeu­wen ge­meen heb­ben. Geen won­der dus dat het maat­schap­pe­lijk be­wust­zijn van al­le eeu­wen, on­danks al­le veel­vul­dig­heid en al­le ver­schil, zich in ze­ke­re ge­meen­schap­pe­lij­ke vor­men be­weegt, in be­wust­zijns­vor­men die al­leen met het to­ta­le ver­dwij­nen van de klas­sen­te­gen­stel­ling he­le­maal ver­dwij­nen.

De com­mu­nis­ti­sche re­vo­lu­tie is het ra­di­caalst bre­ken met de tra­di­ti­o­ne­le ei­gen­doms­ver­hou­din­gen; geen won­der dat in haar ont­wik­ke­lings­gang het ra­di­caalst met de tra­di­ti­o­ne­le idee­ën wordt ge­bro­ken. Maar la­ten wij de te­gen­wer­pin­gen van de bour­geoi­sie te­gen het com­mu­nis­me voor wat zij zijn.

Wij za­gen bo­ven reeds dat de eer­ste stap van de ar­bei­ders­re­vo­lu­tie de ver­hef­fing van het pro­le­ta­ri­aat tot heer­sen­de klas­se, de ver­o­ve­ring van de de­mo­cra­tie is. Het pro­le­ta­ri­aat zal zijn po­li­tie­ke heer­schap­pij daar­toe ge­brui­ken, om aan de bour­geoi­sie stuk voor stuk al­le ka­pi­taal te ont­ruk­ken, al­le pro­duc­tie­mid­de­len in de han­den van de staat, d.w.z. van het als heer­sen­de klas­se ge­or­ga­ni­seer­de pro­le­ta­ri­aat te cen­tra­li­se­ren en de mas­sa van de pro­duc­tie­krach­ten zo snel als mo­ge­lijk te ver­meer­de­ren. Dit kan aan­van­ke­lijk na­tuur­lijk al­leen ge­schie­den door mid­del van des­po­ti­sche in­breu­ken op het ei­gen­doms­recht en op de bur­ger­lij­ke pro­duc­tie­ver­hou­din­gen, door maat­re­ge­len dus die eco­no­misch on­vol­doen­de en on­houd­baar schij­nen, die even­wel in de loop van de ont­wik­ke­ling bo­ven zich­zelf uit­groei­en en als mid­de­len tot om­wen­te­ling van de ge­he­le pro­duc­tie­wij­ze on­ver­mij­de­lijk zijn. De­ze maat­re­ge­len zul­len na­tuur­lijk, naar­ge­lang de ver­schil­len­de lan­den, ver­schil­lend zijn. Voor de verst ont­wik­kel­de lan­den zul­len even­wel de vol­gen­de ta­me­lijk al­ge­meen kun­nen wor­den aan­ge­wend:

Ont­ei­ge­ning van het grond­ei­gen­dom en aan­wen­ding van de grond­ren­te tot staats­uit­ga­ven. Zwa­re pro­gres­sie­ve be­las­ting. Af­schaf­fing van het erf­recht. Con­fis­ca­tie van het ei­gen­dom van al­le emi­gran­ten en re­bel­len. Cen­tra­li­sa­tie van het kre­diet in han­den van de staat door een na­ti­o­na­le bank met staats­ka­pi­taal en uit­slui­tend mo­no­po­lie.
Cen­tra­li­sa­tie van het trans­port­we­zen in han­den van de staat. Ver­meer­de­ring van de na­ti­o­na­le fa­brie­ken, van de pro­duc­tie­mid­de­len, ont­gin­ning en ver­be­te­ring van de lan­de­rij­en naar een ge­meen­schap­pe­lijk plan. Ge­lij­ke ar­beids­plicht voor al­len, op­rich­ting van in­du­stri­ë­le le­gers, voor­al voor de land­bouw. Ver­e­ni­ging van land­bouw- en in­du­strie­be­drijf, aan­stu­ren op de ge­lei­de­lij­ke op­hef­fing van het on­der­scheid tus­sen stad en land. Open­ba­re en kos­te­lo­ze op­voe­ding van al­le kin­de­ren. Af­schaf­fing van de kin­der­ar­beid in fa­brie­ken in zijn hui­di­ge vorm. Ver­bin­ding van de op­voe­ding met de ma­te­ri­ë­le pro­duc­tie enz.

Zijn in de loop van de ont­wik­ke­ling de klas­sen­ver­schil­len ver­dwe­nen en is al­le pro­duc­tie in han­den van de ge­as­so­ci­eer­de in­di­vi­du­en ge­con­cen­treerd, dan ver­liest de open­ba­re macht haar po­li­tiek ka­rak­ter. De po­li­tie­ke macht in ei­gen­lij­ke zin is de ge­or­ga­ni­seer­de macht van een klas­se tot on­der­druk­king van een an­de­re. Wan­neer het pro­le­ta­ri­aat in de strijd te­gen de bour­geoi­sie zich nood­za­ke­lijk tot klas­se ver­e­nigt, door een om­wen­te­ling zich tot de heer­sen­de klas­se maakt en als heer­sen­de klas­se met ge­weld de ou­de pro­duc­tie­ver­hou­din­gen op­heft, dan heft het met de­ze pro­duc­tie­ver­hou­din­gen de be­staans­voor­waar­den van de klas­sen­te­gen­stel­ling, de klas­sen in het al­ge­meen en daar­mee zijn ei­gen heer­schap­pij als klas­se op. In de plaats van de ou­de bur­ger­lij­ke maat­schap­pij met haar klas­sen en klas­sen­te­gen­stel­lin­gen treedt een as­so­ci­a­tie, waar­in de vrije ont­wik­ke­ling van ie­der de voor­waar­de voor de vrije ont­wik­ke­ling van al­len is.

HOOFDSTUK III: So­ci­a­lis­ti­sche en com­mu­nis­ti­sche li­te­ra­tuur

Het re­ac­ti­o­nai­re so­ci­a­lis­me: Fe­o­daal so­ci­a­lis­me

De Fran­se en En­gel­se aris­to­cra­tie was door haar his­to­ri­sche po­si­tie er toe ge­roe­pen pam­flet­ten te­gen de mo­der­ne bur­ger­lij­ke maat­schap­pij te schrij­ven. In de Fran­se ju­li-om­wen­te­ling van 1830 en in de En­gel­se re­form­be­we­ging had zij nog eens voor de ge­ha­te par­ve­nu het on­der­spit ge­dol­ven. Van een ern­sti­ge po­li­tie­ke strijd kon geen spra­ke meer zijn. Slechts de li­te­rai­re strijd bleef haar over. Maar ook op het ge­bied van de li­te­ra­tuur wa­ren de ou­de fra­ses uit de tijd van de Res­tau­ra­tie on­mo­ge­lijk ge­wor­den. Om sym­pa­thie te wek­ken, moest de aris­to­cra­tie schijn­baar haar be­lan­gen uit het oog ver­lie­zen en al­leen in het be­lang van de ge­ëx­ploi­teer­de ar­bei­ders­klas­se haar ak­te van be­schul­di­ging te­gen de bour­geoi­sie for­mu­le­ren. Zij be­reid­de zich de vol­doe­ning om schimp­lie­de­ren op haar nieu­we heer­ser te zin­gen en hem meer of min­der on­heil­spel­len­de pro­fe­tie­ën in het oor te bla­zen. Op de­ze wij­ze ont­stond het fe­o­da­le so­ci­a­lis­me, half klaag­lied, half pas­kwil, half echo van het ver­le­den, half drei­gen van de toe­komst, soms de bour­geoi­sie in het hart tref­fend door bit­ter, gees­tig, stuk­rij­tend oor­deel, al­tijd ko­miek wer­kend door to­ta­le on­macht om de gang van de mo­der­ne ge­schie­de­nis te be­grij­pen. De pro­le­ta­ri­sche be­del­zak zwaai­den zij als vaan­del in de hand, om het volk ach­ter zich te ver­za­me­len. Zo vaak het hen ech­ter volg­de, zag het op hun ach­ter­ste de ou­de fe­o­da­le wa­pens en liep het met luid en on­eer­bie­dig ge­lach weg. Een deel van de Fran­se le­gi­ti­mis­ten en het jon­ge En­ge­land ga­ven dit schouw­spel ten bes­te.

Als de fe­o­da­len be­wij­zen dat hun ma­nier van uit­bui­ting er an­ders uit­zag dan de bur­ger­lij­ke uit­bui­ting, dan ver­ge­ten zij al­leen dat zij on­der ge­heel ver­schil­len­de en nu ver­dwe­nen om­stan­dig­he­den uit­buit­ten. Als zij aan­to­nen dat on­der hun heer­schap­pij het mo­der­ne pro­le­ta­ri­aat niet be­stond, dan ver­ge­ten zij al­leen dat juist de mo­der­ne bour­geoi­sie een nood­za­ke­lij­ke spruit van hun maat­schap­pe­lij­ke or­de was. Ove­ri­gens ver­hei­me­lij­ken zij het re­ac­ti­o­nai­re ka­rak­ter van hun kri­tiek zo wei­nig dat hun voor­naams­te aan­klacht te­gen de bour­geoi­sie juist daar­in be­staat dat er on­der haar re­gime zich een klas­se ont­wik­kelt die de ge­he­le ou­de maat­schap­pij in de lucht zal doen vlie­gen. Zij ver­wij­ten de bour­geoi­sie niet zo zeer dat zij een pro­le­ta­ri­aat, als wel dat zij een re­vo­lu­ti­o­nair pro­le­ta­ri­aat voort­brengt. In de po­li­tie­ke prak­tijk ne­men zij daar­om deel aan al­le maat­re­ge­len van ge­weld te­gen de ar­bei­den­de klas­se, en in het ge­wo­ne le­ven ma­ken zij het zich ge­mak­ke­lijk, door, al hun op­ge­bla­zen fra­ses ten spijt, de gou­den ap­pels op te ra­pen, en trouw, lief­de, eer, met de woe­ker in scha­pen­wol, beet­wor­tels en je­ne­ver te ver­wis­se­len.

Zo­als de pries­ter al­tijd hand in hand ging met de fe­o­da­len, zo gaat het paap­se so­ci­a­lis­me sa­men met het fe­o­da­le. Niets is mak­ke­lij­ker dan het chris­te­lijk as­ce­tis­me een so­ci­a­lis­tisch tin­tje te ge­ven. Heeft het chris­ten­dom niet ook te­gen het pri­vé-ei­gen­dom, te­gen het hu­we­lijk, te­gen de staat ge­ij­verd? Heeft het niet in de plaats van de­ze de wel­da­dig­heid en de be­de­la­rij, het ce­li­baat en de do­ding van het vlees, het le­ven in de cel en de kerk ge­pre­dikt? Het chris­te­lijk so­ci­a­lis­me is slechts het wij­wa­ter waar­mee de pries­ter de er­ger­nis van de aris­to­craat in­ze­gent.

Het re­ac­ti­o­nai­re so­ci­a­lis­me: klein­bur­ger­lijk so­ci­a­lis­me

De fe­o­da­le aris­to­cra­tie is niet de eni­ge klas­se die door de bour­geoi­sie werd om­ver­ge­wor­pen, wier le­vens­voor­waar­den in de mo­der­ne bur­ger­lij­ke maat­schap­pij ver­gin­gen en af­stier­ven. Het mid­del­eeuw­se poor­ter­schap en de klei­ne boe­ren­stand wa­ren de voor­lo­pers van de mo­der­ne bour­geoi­sie. In de min­der in­du­stri­eel en com­mer­ci­eel ont­wik­kel­de lan­den ve­ge­teert de­ze klas­se nog voort naast de op­ko­men­de bour­geoi­sie. In de lan­den waar de mo­der­ne be­scha­ving zich ont­wik­keld heeft, heeft zich een nieu­we klein­bur­ge­rij ge­vormd, die tus­sen het pro­le­ta­ri­aat en de bour­geoi­sie zweeft en als aan­vul­lend ge­deel­te van de bur­ger­lij­ke maat­schap­pij zich steeds op­nieuw vormt, wier le­den even­wel voort­du­rend door de con­cur­ren­tie in het pro­le­ta­ri­aat wor­den ge­slin­gerd, ja zelfs met de ont­wik­ke­ling van de groot­in­du­strie een tijd­stip zien na­de­ren, waar­op zij als zelf­stan­dig ge­deel­te van de mo­der­ne maat­schap­pij ver­dwij­nen en in de han­del in de ma­nu­fac­tuur, in de land­bouw door op­zich­ters en be­dien­den wor­den ver­van­gen.

In lan­den als Frank­rijk, waar de klas­se van de boe­ren veel meer dan de helft van de be­vol­king uit­maakt, was het na­tuur­lijk dat schrij­vers die voor het pro­le­ta­ri­aat te­gen de bour­geoi­sie op­tra­den, aan hun kri­tiek op de bour­geoisheer­schap­pij de maat­staf van de klein­bur­ger en klei­ne boer han­teer­den en de par­tij van de ar­bei­ders ko­zen van­uit het stand­punt van de klein­bur­ge­rij. Zo vorm­de zich het klein­bur­ger­lij­ke so­ci­a­lis­me. Sis­mon­di is de hoofd­fi­guur van de­ze li­te­ra­tuur, niet al­leen voor Frank­rijk, maar ook voor En­ge­land. Dit so­ci­a­lis­me ont­leed­de hoogst scherp­zin­nig de te­gen­strij­dig­he­den in de mo­der­ne pro­duc­tie­ver­hou­din­gen. Het ont­hul­de het be­drieg­lijk glim­men­de mooi­pra­ten van de staat­huis­houd­kun­di­gen. Het wees on­weer­leg­baar de moor­den­de wer­king van de ma­chi­ne­rie en van de ar­beids­ver­de­ling aan, de con­cen­tra­tie van de ka­pi­ta­len en van het grond­be­zit, de over­pro­duc­tie, de cri­sis­sen, de nood­za­ke­lij­ke on­der­gang van de klein­bur­gers en boe­ren, de el­len­de van het pro­le­ta­ri­aat, de an­ar­chie in de pro­duc­tie, de schreeu­wen­de wan­ver­hou­din­gen in de ver­de­ling van de rijk­dom, de in­du­stri­ë­le ver­nie­lings­oor­log van de na­ties on­der el­kaar, de on­der­gang van de ou­de ze­den, van de ou­de fa­mi­lie­ver­hou­din­gen, van de ou­de na­ti­o­na­li­tei­ten.

Vol­gens zijn po­si­tie­ve in­houd wil even­wel dit so­ci­a­lis­me of de ou­de pro­duc­tie- en ver­keers­mid­de­len weer her­stel­len en met hen de ou­de ei­gen­doms­ver­hou­din­gen en de ou­de maat­schap­pij, of het wil de mo­der­ne pro­duc­tie- en ver­keers­mid­de­len weer in het raam van de ou­de ei­gen­doms­ver­hou­din­gen (die zij de­den sprin­gen, moesten doen sprin­gen) in­slui­ten met ge­weld. In bei­de ge­val­len is het re­ac­ti­o­nair en uto­pisch te­ge­lijk. Gil­de­we­zen in de ma­nu­fac­tuur en aarts­va­der­lijk huis­hou­den op het land, dat zijn zijn laat­ste woor­den. In haar ver­de­re ont­wik­ke­ling is de­ze rich­ting in een laf kat­ten­ge­jank ver­lo­pen.

Het re­ac­ti­o­nai­re so­ci­a­lis­me: Duits of het ‘wa­re’ so­ci­a­lis­me

De so­ci­a­lis­ti­sche en com­mu­nis­ti­sche li­te­ra­tuur van Frank­rijk, die on­der de druk van een heer­sen­de bour­geoi­sie ont­stond en de li­te­rai­re uit­druk­king is van de strijd te­gen de­ze heer­schap­pij, werd in Duits­land in­ge­voerd in een tijd dat de bour­geoi­sie juist haar strijd te­gen het fe­o­da­le ab­so­lu­tis­me be­gon.

Duit­se fi­lo­so­fen, hal­ve fi­lo­so­fen en ‘beaux es­prits’ maak­ten zich gre­tig van de­ze li­te­ra­tuur mees­ter en ver­ga­ten al­leen dat bij de ver­hui­zing van de­ze ge­schrif­ten uit Frank­rijk, de Fran­se 1evensverhoudingen niet te­ge­lij­ker­tijd naar Duits­land wa­ren ver­huisd. Te­gen­over de Duit­se ver­hou­din­gen ver­loor de Fran­se li­te­ra­tuur al­le on­mid­del­lijk prak­ti­sche be­te­ke­nis en kreeg ze een zui­ver li­te­rair ui­ter­lijk. Zij moest een ij­de­le be­spie­ge­ling gaan ge­lij­ken over de ver­we­zen­lij­king van het men­se­lijk we­zen. Zo had­den voor de Duit­se fi­lo­so­fen van de 18e eeuw de ei­sen van de eer­ste Fran­se Re­vo­lu­tie slechts de be­te­ke­nis, ei­sen van de ‘prak­ti­sche re­de’ in het al­ge­meen te zijn, en de wils­ui­tin­gen van de re­vo­lu­ti­o­nai­re Fran­se bour­geoi­sie be­te­ken­den in hun ogen de wet­ten van de zui­ve­re wil, van de wil zo­als hij zijn moet, van de waar­lijk men­se­lij­ke wil. De ar­beid van de Duit­se li­te­ra­to­ren be­stond er uit­slui­tend in de nieu­we Fran­se idee­ën met hun oud fi­lo­so­fisch ge­we­ten in over­een­stem­ming te bren­gen, of be­ter, van hun fi­lo­so­fisch stand­punt zich de Fran­se idee­ën toe te ei­ge­nen. De­ze toe-ei­ge­ning ge­schied­de op de­zelf­de ma­nier waar­op men zich al­tijd van een vreem­de taal mees­ter maakt, nl.door te ver­ta­len.

Het is be­kend hoe de mon­ni­ken hand­schrif­ten waar­op de klas­sie­ke wer­ken van de ou­de hei­den­se tijd wa­ren op­ge­te­kend, met ab­sur­de ge­schie­de­nis­sen van ka­tho­lie­ke hei­li­gen over­dek­ten. De Duit­se li­te­ra­to­ren gin­gen om­ge­keerd te werk met de pro­fa­ne Fran­se li­te­ra­tuur. Zij schre­ven hun wijs­ge­ri­ge on­zin ach­ter het Fran­se ori­gi­neel. Bij­voor­beeld ach­ter de Fran­se kri­tiek van de geld­ver­hou­din­gen schre­ven zij: “ver­vreem­ding van het men­se­lijk we­zen”, ach­ter de Fran­se kri­tiek van de bour­geoisstaat schre­ven zij: “op­hef­fing van de heer­schap­pij van het ab­stract al­ge­me­ne”, enz. Het toe­dich­ten van de­ze fi­lo­so­fi­sche fra­ses aan de Fran­se ont­wik­ke­lin­gen doop­ten zij: “fi­lo­so­fie van de daad”, “waar so­ci­a­lis­me”, “Duit­se we­ten­schap van het so­ci­a­lis­me”, “fi­lo­so­fi­sche grond­slag van het so­ci­a­lis­me”, en­zo­voort.

De Fran­se so­ci­a­lis­tisch-com­mu­nis­ti­sche li­te­ra­tuur werd zo plech­tig ont­mand. En aan­ge­zien zij in de hand van de Duit­ser op­hield de strijd van een klas­se te­gen de an­de­re uit te druk­ken, was de Duit­ser zich er­van over­tuigd de ‘Fran­se een­zij­dig­heid’ te heb­ben over­won­nen, in plaats van wa­re be­hoef­ten de be­hoef­te aan waar­heid, en in plaats van de be­lan­gen van de pro­le­ta­ri­ër de be­lan­gen van het men­se­lijk we­zen, van de mens in het al­ge­meen ver­de­digd te heb­ben, van de mens, die niet tot een klas­se, die in het ge­heel niet tot de wer­ke­lijk­heid be­hoort, maar slechts tot de ne­ve­li­ge he­mel van de fi­lo­so­fi­sche fan­ta­sie. Dit Duit­se so­ci­a­lis­me, dat zijn on­be­hol­pen school­oe­fe­nin­gen zo ern­stig en plech­tig op­nam en met zo’n markt­ge­schreeuw uit­ba­zuin­de, ver­loor in­tus­sen lang­za­mer­hand zijn pe­dan­te on­schuld. De strijd van de Duit­se, met na­me van de Prui­si­sche bour­geois, te­gen het fe­o­da­lis­me en het ab­so­lu­te ko­ning­schap, in één woord, de li­be­ra­le be­we­ging, werd ern­sti­ger.

Aan het ‘wa­re so­ci­a­lis­me’ werd al­dus de ge­wens­te ge­le­gen­heid ge­ge­ven om te­gen­over de po­li­tie­ke be­we­ging de so­ci­a­lis­ti­sche ei­sen te stel­len, de tra­di­ti­o­ne­le ver­vloe­kin­gen te­gen het li­be­ra­lis­me, te­gen de con­sti­tu­ti­o­ne­le staat, te­gen de bur­ger­lij­ke con­cur­ren­tie, bur­ger­lij­ke vrij­heid van druk­pers, bur­ger­lijk recht, bur­ger­lij­ke vrij­heid en ge­lijk­heid te slin­ge­ren, en aan de mas­sa van het volk voor te pre­ken hoe zij bij de­ze bur­ger­lij­ke be­we­ging niets te win­nen, veel­eer al­les te ver­lie­zen heeft. Het Duit­se so­ci­a­lis­me ver­gat op het juis­te ogen­blik dat de Fran­se kri­tiek, wiens gees­te­lo­ze echo het was, de mo­der­ne bur­ger­lij­ke maat­schap­pij met de daar­mee over­een­ko­men­de ma­te­ri­ë­le le­vens­voor­waar­den en de over­een­kom­sti­ge po­li­tie­ke con­sti­tu­tie had ver­on­der­steld, lou­ter voor­waar­den die in Duits­land fei­te­lijk nog eerst ver­o­verd moesten wor­den. Het dien­de de Duit­se ab­so­lu­te re­ge­rin­gen, met hun ge­volg van pries­ters, school­mees­ters, land­jon­kers en bu­reau­cra­ten als ge­wens­te vo­gel­ver­schrik­ker te­gen de drei­gend op­ko­men­de bour­geoi­sie. Het was de zoe­te toe­spijs bij de bit­te­re zweep­sla­gen en ge­weer­ko­gels, waar­mee de­zelf­de re­ge­rin­gen de Duit­se ar­bei­ders­op­stan­den be­werk­ten.

Werd het ‘wa­re’ so­ci­a­lis­me op die ma­nier een wa­pen in de hand van de re­ge­rin­gen te­gen de Duit­se bour­geoi­sie, het ver­te­gen­woor­dig­de ook on­mid­del­lijk een re­ac­ti­o­nair be­lang, het be­lang van de Duit­se klein­bur­ge­rij. In Duits­land vormt de van de 16e eeuw af­kom­sti­ge en sinds die tijd in ver­schil­len­de vorm hier al­tijd weer op­nieuw op­dui­ken­de klein­bur­ge­rij de ei­gen­lij­ke maat­schap­pe­lij­ke grond­slag van de be­staan­de toe­stan­den. Haar in­stand­hou­ding is de in­stand­hou­ding van de be­staan­de Duit­se toe­stan­den. On­der de in­du­stri­ë­le en po­li­tie­ke heer­schap­pij van de bour­geoi­sie vreest zij een wis­se on­der­gang, aan de ene kant ten­ge­vol­ge van de con­cen­tra­tie van het ka­pi­taal, aan de an­de­re kant door de op­komst van een re­vo­lu­ti­o­nair pro­le­ta­ri­aat. Het ‘wa­re’ so­ci­a­lis­me scheen haar bei­de vlie­gen in één klap te slaan. Het ver­breid­de zich als een epi­de­mie. Het ge­waad, ge­werkt uit spe­cu­la­tief spin­nen­web, ge­bor­duurd met spreuk­bloe­men van scho­ne gees­ten, ge­drenkt met lief­de­zwoe­le ge­moeds­dauw, dit bo­ven­aard­se ge­waad, waar­in de Duit­se so­ci­a­lis­ten hun paar kno­ki­ge ‘eeu­wi­ge waar­he­den’ hul­den, ver­meer­der­de nog de af­zet van hun waar bij dit pu­bliek. Van zijn kant be­greep het Duit­se so­ci­a­lis­me steeds meer zijn roe­ping, de hoog­dra­ven­de ver­te­gen­woor­di­ger van de­ze klein­bur­ge­rij te zijn. Het pro­cla­meer­de de Duit­se na­tie als de nor­ma­le na­tie en de Duit­se klein­bur­ger als de nor­ma­le mens. Aan ie­de­re laag­heid van de­ze klein­bur­ger gaf het een ver­bor­gen, ho­ge­re, so­ci­a­lis­ti­sche zin, waar­door zij haar te­gen­deel be­te­ken­de. Het trok de laat­ste con­se­quen­tie, toen het recht­uit op­trad te­gen de ‘ruw-ver­nie­len­de’ rich­ting van het com­mu­nis­me en zijn on­par­tij­di­ge ver­he­ven­heid bo­ven el­ke klas­sen­strijd ver­kon­dig­de. Met zeer wei­ni­ge uit­zon­de­rin­gen be­hoort al­les wat in Duits­land van zo­ge­naamd so­ci­a­lis­ti­sche en com­mu­nis­ti­sche ge­schrif­ten in om­loop is, tot de­ze vie­ze, ont­ze­nu­wen­de li­te­ra­tuur.

2. Het be­hou­dend of bour­geois­so­ci­a­lis­me

Een deel van de bour­geoi­sie wenst de so­ci­a­le mis­stan­den te ver­hel­pen om het voort­be­staan van de bur­ger­lij­ke maat­schap­pij te ver­ze­ke­ren. Tot dit deel be­ho­ren: staat­huis­houd­kun­di­gen, fi­lan­tro­pen, wel­doe­ners, ver­be­te­raars van de toe­stand van de ar­bei­den­de klas­sen, or­ga­ni­sa­tors van de wel­da­dig­heid, die­ren­be­scher­mers, stich­ters van ma­tig­heids­ver­e­ni­gin­gen, her­vor­mers van de bontst ge­scha­keer­de soor­ten. En dit bour­geois­so­ci­a­lis­me is tot ge­he­le sys­te­men uit­ge­werkt. Als voor­beeld noe­men wij Proud­hons Phi­lo­so­p­hie de la Mi­sè­re.

De so­ci­a­lis­ti­sche bour­geois wil­len de le­vens­voor­waar­den van de mo­der­ne maat­schap­pij zon­der de nood­za­ke­lijk daar­uit voort­ko­men­de strijd en ge­va­ren. Zij wil­len de be­staan­de maat­schap­pij na af­trek van de haar om­wen­te­len­de en ver­nie­ti­gen­de ele­men­ten. Zij wil­len de bour­geoi­sie zon­der het pro­le­ta­ri­aat. De bour­geoi­sie stelt zich na­tuur­lijk de we­reld, waar­in zij heerst, als de bes­te we­reld voor. Het bour­geois­so­ci­a­lis­me werkt de­ze troost­vol­le voor­stel­ling tot een half of heel stel­sel uit. Wan­neer het het pro­le­ta­ri­aat op­roept zijn stel­sels tot wer­ke­lijk­heid te ma­ken, en in het nieu­we Je­ru­za­lem in te gaan, dan ver­langt het in de grond van de zaak al­leen dat het in de te­gen­woor­di­ge maat­schap­pij blijft staan, maar zijn ha­te­lij­ke ge­dach­ten over die maat­schap­pij zal op­ge­ven.

Een twee­de, min­der sys­te­ma­ti­sche maar meer prak­ti­sche vorm van dit so­ci­a­lis­me tracht­te ie­de­re re­vo­lu­ti­o­nai­re be­we­ging voor de ar­bei­ders­klas­se te ver­bit­te­ren door te be­wij­zen dat niet de­ze of ge­ne po­li­tie­ke ver­an­de­ring, maar al­leen een ver­an­de­ring van de ma­te­ri­ë­le le­vens­ver­hou­din­gen, van de eco­no­mi­sche ver­hou­din­gen, haar van nut zou kun­nen zijn. On­der ver­an­de­ring van de ma­te­ri­ë­le le­vens­ver­hou­din­gen ver­staat dit so­ci­a­lis­me even­wel vol­strekt niet de af­schaf­fing van de bur­ger­lij­ke pro­duc­tie­ver­hou­din­gen, die al­leen langs re­vo­lu­ti­o­nai­re weg mo­ge­lijk is, maar ad­mi­ni­stra­tie­ve ver­be­te­rin­gen, die op grond van de­ze pro­duc­tie­ver­hou­din­gen tot stand ko­men, dus aan de ver­hou­ding van ka­pi­taal en loon­ar­beid niets ver­an­de­ren, maar in het bes­te ge­val voor de bour­geoi­sie de kos­ten van haar heer­schap­pij ver­min­de­ren en haar staat­huis­hou­ding ver­een­vou­di­gen. Zijn vol­ko­men uit­druk­king be­reikt het bour­geois­so­ci­a­lis­me pas daar waar een zui­ver ora­to­ri­sche ge­stal­te aan­neemt.

Vrij­han­del! In het be­lang van de ar­bei­den­de klas­se. Be­scher­men­de rech­ten! In het be­lang van de ar­bei­den­de klas­se. Cel­lu­lai­re ge­van­ge­nis­sen! In het be­lang van de ar­bei­den­de klas­se: dat is het laat­ste, het eni­ge ern­stig ge­meen­de woord van het bour­geois­so­ci­a­lis­me. Het so­ci­a­lis­me van de bour­geoi­sie be­staat juist in de be­we­ring dat de bour­geois bour­geois zijn — in het be­lang van de ar­bei­den­de klas­se.

3. Het kri­tisch-uto­pi­sche so­ci­a­lis­me en com­mu­nis­me

Wij spre­ken hier niet over de li­te­ra­tuur die in al­le gro­te mo­der­ne om­wen­te­lin­gen de ei­sen van het pro­le­ta­ri­aat ver­kon­dig­de. (De ge­schrif­ten van Ba­beuf, enz.) Die eer­ste po­gin­gen van het pro­le­ta­ri­aat om in een tijd van al­ge­me­ne op­schud­ding, in het tijd­perk van de om­ver­wer­ping van de fe­o­da­le maat­schap­pij, on­mid­del­lijk zijn ei­gen klas­sen­be­lang door te zet­ten, le­den nood­za­ke­lijk schip­breuk door de on­ont­wik­kel­de vorm van het pro­le­ta­ri­aat zelf, zo­wel als door het ont­bre­ken van de ma­te­ri­ë­le voor­waar­den van zijn be­vrij­ding, die im­mers juist het pro­duct van de bur­ger­lij­ke pe­ri­o­de zijn. De re­vo­lu­ti­o­nai­re li­te­ra­tuur, die de­ze eer­ste be­we­gin­gen van het pro­le­ta­ri­aat be­ge­leid­de, is wat in­houd be­treft nood­za­ke­lijk re­ac­ti­o­nair. Zij pre­dikt een al­ge­meen as­ce­tis­me en een ru­we ge­lijk­ma­ke­rij. De ei­gen­lij­ke so­ci­a­lis­ti­sche en com­mu­nis­ti­sche stel­sels, de stel­sels van St. Si­mon, Fou­rier, Owen enz. dui­ken op in de eer­ste on­ont­wik­kel­de pe­ri­o­de van de strijd tus­sen pro­le­ta­ri­aat en bour­geoi­sie, die wij bo­ven heb­ben bloot­ge­legd. (Zie: Bour­geois en pro­le­ta­ri­ërs) De uit­vin­ders van de­ze stel­sels zien wel­is­waar de te­gen­stel­ling van de klas­sen en de wer­king van de ont­bin­den­de ele­men­ten in de heer­sen­de maat­schap­pij zelf, maar zij ont­dek­ken aan de zij­de van het pro­le­ta­ri­aat geen his­to­ri­sche ei­gen werk­zaam­heid, geen aan dat pro­le­ta­ri­aat ei­gen po­li­tie­ke be­we­ging.

Aan­ge­zien de ont­wik­ke­ling van de klas­sen­te­gen­stel­ling ge­lij­ke tred houdt met de ont­wik­ke­ling van de in­du­strie, vin­den zij even­min de ma­te­ri­ë­le voor­waar­den voor die be­vrij­ding van het pro­le­ta­ri­aat en zoe­ken zij naar een so­ci­a­le we­ten­schap, naar so­ci­a­le wet­ten, om de­ze voor­waar­den te schep­pen. In de plaats van de maat­schap­pe­lij­ke krach­ten moet hun per­soon­lij­ke in­ven­ti­vi­teit tre­den, in de plaats van de his­to­ri­sche voor­waar­den fan­tas­ti­sche voor­waar­den van de be­vrij­ding, in de plaats van de lang­zaam ver­der gaan­de or­ga­ni­sa­tie van het pro­le­ta­ri­aat tot klas­se de ei­gen uit­ge­dach­te or­ga­ni­sa­tie van de maat­schap­pij. De toe­kom­sti­ge we­reld­ge­schie­de­nis lost zich voor hen op in de pro­pa­gan­da en de prak­ti­sche uit­voe­ring van hun plan­nen. Zij zijn zich er wel­is­waar van be­wust dat hun plan­nen voor­na­me­lijk het be­lang van de ar­bei­den­de klas­se als de meest lij­den­de klas­se ver­de­di­gen. Slechts van­uit dit ge­zichts­punt van meest lij­den­de klas­se, be­staat het pro­le­ta­ri­aat voor hen.

De on­ont­wik­kel­de vorm van de klas­sen­strijd, even­zeer als hun ei­gen plaats in het le­ven brengt ech­ter met zich mee dat zij zich ver bo­ven ie­de­re klas­sen­te­gen­stel­ling ver­he­ven ach­ten. Zij wil­len de toe­stand van al­le me­de­le­den van de maat­schap­pij, ook van de hoog­sten, ver­be­te­ren. Zij doen daar­om voort­du­rend een be­roep op de he­le maat­schap­pij zon­der on­der­scheid, ja bij voor­keur op de heer­sen­de klas­se. Men heeft hun stel­sel im­mers slechts te be­grij­pen om het als het best mo­ge­lij­ke plan van de best mo­ge­lij­ke maat­schap­pij te er­ken­nen. Zij ver­wer­pen daar­om al­le po­li­tie­ke, en met na­me al­le re­vo­lu­ti­o­nai­re ac­tie, zij wil­len hun doel langs vre­de­lie­ven­de weg be­rei­ken, en pro­be­ren, door klei­ne, na­tuur­lijk mis­luk­ken­de proef­ne­min­gen, door de macht van het voor­beeld een weg te ba­nen voor het nieu­we maat­schap­pe­lij­ke evan­ge­lie.

De fan­tas­ti­sche schil­de­ring van de toe­kom­sti­ge maat­schap­pij ont­springt — in een tijd waar­in het pro­le­ta­ri­aat nog hoogst on­ont­wik­keld is, dus zelf zijn ei­gen po­si­tie nog fan­tas­tisch op­vat — aan zijn eer­ste hoop- en ver­wach­tings­vol drin­gen naar een al­ge­me­ne ver­an­de­ring van de maat­schap­pij. De so­ci­a­le en com­mu­nis­ti­sche ge­schrif­ten be­vat­ten even­wel ook kri­ti­sche ele­men­ten. Zij tas­ten al­le grond­sla­gen van de be­staan­de maat­schap­pij aan. Zij heb­ben daar­door zeer rijk ma­te­ri­aal tot in­lich­ting van de ar­bei­ders ge­le­verd. Hun po­si­tie­ve stel­lin­gen over de toe­kom­sti­ge maat­schap­pij, bv. de op­hef­fing van de te­gen­stel­ling tus­sen stad en land, van de fa­mi­lie, van het pri­vaat ge­win, van de loon­ar­beid, het ver­kon­di­gen van de maat­schap­pe­lij­ke har­mo­nie, de ver­an­de­ring van de staat in een blo­te re­ge­ling van de pro­duc­tie — al de­ze door hen ver­kon­dig­de stel­lin­gen druk­ken slechts het weg­val­len van de klas­sen­te­gen­stel­ling uit, die zich nog maar pas be­gint te ont­wik­ke­len, die zij nog slechts in haar eer­ste vor­me­lo­ze on­be­paald­heid ken­nen. De­ze stel­lin­gen zelf heb­ben daar­door nog een zui­ver uto­pi­sche be­te­ke­nis.

De be­te­ke­nis van het kri­tisch-uto­pi­sche so­ci­a­lis­me en com­mu­nis­me staat in om­ge­keer­de ver­hou­ding tot de his­to­ri­sche ont­wik­ke­ling. In de­zelf­de ma­te waar­in de klas­sen­strijd zich ont­wik­kelt en ge­stal­te aan­neemt, ver­liest dit fan­tas­ti­sche daar­bo­ven-ver­he­ven-zijn, de­ze fan­tas­ti­sche be­strij­ding daar­van, al­le prak­ti­sche waar­de, al­le the­o­re­ti­sche recht­vaar­di­ging. Ook al wa­ren de oor­spron­ke­lij­ke ma­kers van de­ze stel­sels daar­om in me­nig op­zicht re­vo­lu­ti­o­nair, toch vor­men hun leer­lin­gen tel­kens re­ac­ti­o­nai­re sek­ten. Zij hou­den de ou­de ziens­wij­zen van hun mees­ters vast te­gen­over de his­to­ri­sche ver­de­re ont­wik­ke­ling van het pro­le­ta­ri­aat. Zij pro­be­ren dus con­se­quent de klas­sen­strijd weer af te stom­pen en de te­gen­stel­lin­gen door be­mid­de­ling te doen ver­dwij­nen. Zij dro­men nog al­tijd van de uit­voe­ring, als proef, van hun maat­schap­pe­lij­ke uto­pie­ën, stich­ting van en­ke­le af­zon­der­lij­ke pha­lanstè­res, ves­ti­ging van homekolonies[4], op­rich­ting van een klein Ik­a­rië – het Nieu­we Je­ru­za­lem in zak­for­maat – en voor de bouw van al de­ze lucht­kas­te­len moe­ten zij een be­roep doen op de fi­lan­tro­pie van de bur­ger­lij­ke har­ten en geld­zak­ken. Lang­za­mer­hand val­len zij in de ca­te­go­rie van de bo­ven af­ge­beel­de re­ac­ti­o­nai­re of con­ser­va­tie­ve so­ci­a­lis­ten en on­der­schei­den zij zich al­leen nog van hen door meer sys­te­ma­ti­sche pe­dan­te­rie, door hun fa­na­tiek bij­ge­loof aan het won­der­werk van hun so­ci­a­le we­ten­schap. Zij be­strij­den daar­om met ver­bit­te­ring el­ke po­li­tie­ke be­we­ging van de ar­bei­ders, die al­leen uit blind on­ge­loof aan het nieu­we evan­ge­lie kon voort­ko­men. De Owe­nis­ten in En­ge­land, de fou­rie­ris­ten in Frank­rijk tre­den daar op te­gen de char­tis­ten, hier te­gen de re­for­mis­ten.

HOOFDSTUK IV: Ver­hou­ding van de com­mu­nis­ten tot de ver­schil­len­de op­po­si­tie­par­tij­en

In ver­band met Hoofd­stuk II spreekt nu de ver­hou­ding van de com­mu­nis­ten tot de reeds op­ge­rich­te ar­bei­ders­be­we­gin­gen van­zelf, dat wil dus zeg­gen hun ver­hou­ding tot de char­tis­ten in En­ge­land en de land­bouw­her­vor­mers in Noord-Ame­ri­ka. Zij strij­den voor het be­rei­ken van de di­rec­te doel­ein­den en be­lan­gen van de ar­bei­ders­klas­se, maar zij ver­te­gen­woor­di­gen in de be­wo­gen tijd te­ge­lijk de toe­komst van de be­we­ging. In Frank­rijk slui­ten de com­mu­nis­ten zich bij de so­ci­a­lis­tisch-de­mo­cra­ti­sche be­we­ging aan te­gen de con­ser­va­tie­ve en ra­di­ca­le bour­geoi­sie, zon­der daar­om het recht op te ge­ven kri­tiek uit te oe­fe­nen op de uit de re­vo­lu­ti­o­nai­re tra­di­tie af­kom­sti­ge fra­ses en il­lu­sies. In Zwit­ser­land on­der­steu­nen zij de ra­di­ca­len, zon­der te mis­ken­nen dat de­ze par­tij uit te­gen­strij­di­ge ele­men­ten be­staat, deels uit de­mo­cra­ti­sche so­ci­a­lis­ten in Fran­se zin, deels uit ra­di­ca­le bour­geois. Bij de Po­len on­der­steu­nen de com­mu­nis­ten de par­tij die een agra­ri­sche re­vo­lu­tie tot voor­waar­de maakt voor de na­ti­o­na­le be­vrij­ding, de­zelf­de par­tij die de Kra­kau­se op­stand van 1846 in het le­ven riep. In Duits­land strijdt de com­mu­nis­ti­sche par­tij, zo­dra de bour­geoi­sie re­vo­lu­ti­o­nair op­treedt, ge­meen­schap­pe­lijk met de bour­geoi­sie te­gen de ab­so­lu­te mo­nar­chie, het fe­o­da­le grond­ei­gen­dom en de klein­bur­ge­rij. Zij laat even­wel geen ogen­blik na bij de ar­bei­ders een zo klaar mo­ge­lijk be­wust­zijn op te wek­ken over de vij­an­de­lij­ke te­gen­stel­ling tus­sen bour­geoi­sie en pro­le­ta­ri­aat, op­dat de Duit­se ar­bei­ders ter­stond de maat­schap­pe­lij­ke en po­li­tie­ke ver­an­de­rin­gen, die de bour­geoi­sie met haar heer­schap­pij aan­bren­gen moet, als even zo ve­le wa­pens te­gen de bour­geoi­sie kun­nen ke­ren, op­dat na de om­ver­wer­ping van de re­ac­ti­o­nai­re klas­sen in Duits­land, da­de­lijk de strijd te­gen de bour­geoi­sie zelf be­gint.

Op Duits­land rich­ten de com­mu­nis­ten voor­na­me­lijk hun op­merk­zaam­heid, om­dat Duits­land aan de voor­avond van een bur­ger­lij­ke re­vo­lu­tie staat, en om­dat het de­ze om­wen­te­ling on­der ver­der ge­vor­der­de om­stan­dig­he­den van de Eu­ro­pe­se be­scha­ving in het al­ge­meen, en met een veel ver­der ont­wik­keld pro­le­ta­ri­aat uit­voert, dan En­ge­land in de 17e en Frank­rijk in de 18e eeuw; om­dat de Duit­se bur­ger­lij­ke re­vo­lu­tie dus slechts het on­mid­del­lij­ke voor­spel van een pro­le­ta­ri­sche re­vo­lu­tie kan zijn. In één woord, de com­mu­nis­ten on­der­steu­nen over­al ie­de­re re­vo­lu­ti­o­nai­re be­we­ging te­gen de be­staan­de maat­schap­pe­lij­ke en staat­kun­di­ge toe­stan­den. In al de­ze be­we­gin­gen bren­gen zij het ei­gen­doms­vraag­stuk wel­ke meer of min­der ont­wik­kel­de vorm het ook mo­ge aan­ge­no­men heb­ben, als het hoofd­vraag­stuk van de be­we­ging op de voor­grond. De com­mu­nis­ten wer­ken ein­de­lijk over­al aan de on­der­lin­ge ver­bin­ding en ver­stand­hou­ding van de de­mo­cra­ti­sche par­tij­en al­ler lan­den.

De com­mu­nis­ten ver­sma­den het hun over­tui­ging en hun be­doe­lin­gen te ver­he­len. Zij ver­kla­ren open­lijk dat hun doel slechts be­reikt kan wor­den door de ge­weld­da­di­ge om­ver­wer­ping van ie­de­re tot nu toe heer­sen­de maat­schap­pe­lij­ke or­de. Dat de heer­sen­de klas­sen sid­de­ren voor een com­mu­nis­ti­sche re­vo­lu­tie! De pro­le­ta­ri­ërs heb­ben daar­bij niets te ver­lie­zen dan hun ke­te­nen. Zij heb­ben een we­reld te win­nen.

PROLETARIËRS ALLER LANDEN, VERENIGT U!