De vooruitgang is niet onzichtbaar – windmolens ook niet

Nadat ik in de krant van vandaag het zoveelste zeurverhaal heb gelezen over windmolens die de horizon vervuilen, moet ik mijzelf er weer eens aan herinneren dat de vooruitgang niet onzichtbaar is. Het artikel komt bovenop een aantal gevalletjes van oraal gezever van mensen uit mijn omgeving over ongeveer hetzelfde onderwerp, maar dan in verband met verkeer, nieuwbouwwijken, snelwegen, hoogspanningsmasten en andere infrastructuur – en vandaag dus weer een keer die windmolens.

Het zal wel zijn zoals met leeftijd. Iedereen wil oud worden maar niemand wil het zijn. Maar dan ik! Ik wil best oud zijn en wil daarom graag erg oud worden. Ook heb ik geen probleem met de uitdijende bebouwing in de leefomgeving, omdat dit uiteindelijk toch betekent dat we als soort steeds talrijker worden. En dat laatste is weer – volgens o.a. mijzelf én Charles Darwin, om maar een willekeurig iemand te noemen – een teken van evolutionair succes. We zijn “fit” dus we “surviven“. En succes is goed, toch?

Dus ja, we zitten met steeds meer mensen op deze planeet, waarbij mijn reguliere locatie zich toevallig in een zeer dichtbevolkte Randstad bevindt. Ik weet dus wat ik zeg als ik zie dat de steden en dorpen zo langzamerhand aan elkaar groeien. Maar wat is daar eigenlijk mis mee? Er komen hier nu eenmaal steeds meer mensen en die moeten toch wonen, dus moet er meer gebouwd worden. Een weg eromheen is er niet.

Naast plaats en plek gebruiken al die mensen ook energie die moet worden gemaakt – bij voorkeur op een niet-destructieve manier – en die energie moet worden getransporteerd. Dat betekent dat er zonneparken en windmolens moeten worden gebouwd, waarvandaan soms dikke spanningskabels naar de woongebieden lopen. Ook dat kan niet anders, tenzij iedereen zelf energie gaat maken, wat gelukkig wel steeds hipper wordt.* De moraal is hier dat gezeur over al die gevolgen van onze progressie als soort naast (ondertussen) zeer irritant ook bijzonder onzinnig is. Het is nu eenmaal zo dat de wereld verandert en daar doet helemaal niemand iets aan.

Er is een testje voor, dat aangeeft of ik een oude zemelaar aan het worden ben. Zodra ik de frase “goede oude tijd” laat vallen, dan weet ik dat ik op de verkeerde manier aan het aftakelen ben. Die goede oude tijd heeft namelijk nooit bestaan.


*) Een klein cosmetisch foefje is nog mogelijk: hoogspanningskabels kunnen ondergronds worden gelegd. Het smoelt visueel iets beter dan bovengronds maar het is niet minder “schadelijk”. Eventuele straling wordt alleen verplaatst van boven naar beneden.

Lessen in Vrouwen-respect
De Dikke Ik schrijft een dagboek